23. de grote oversteek naar de Azoren

Dag 1-5
5 Juni 2019 vertrokken Anne en ik voor de grote oversteek van Bermuda naar de Azoren. Deze oversteek was 1790 nautische mijlen lang, ofwel 3300 km. De oversteek van de Kaap Verden naar Suriname was nog iets langer, maar we wisten van tevoren dat de oversteek naar de Azoren spannender zou worden omdat de weersomstandigheden minder voorspelbaar zijn. De stabiele “tradewinds” welke vanuit de Kaap Verden naar het Carieb waaien, zijn er niet op de route naar de Azoren.

Toen we 5 juni opstonden om te vertrekken bleek het helaas helemaal windstil te zijn. De weersvoorspellingen vertelden ons echter dat het ’s middags wel lekker zou gaan waaien. Om een reis te beginnen met urenlang motoren zou een afknapper zijn, daarom besloten we ’s ochtends nog maar even te gaan zwemmen bij Tobacco Bay. Dat zou een van de mooiste snorkelplekken van Bermuda zijn en dat bleek helemaal juist te zijn. Vooral de enorme, kleurrijke, parrot vissen van wel 1 meter lang waren indrukwekkend mooi.  Dit werd zo een geweldig afscheid van een half jaar varen in de tropen.

Intermezzo: weather routing

Tijdens de oversteek zou een ONO-koers ons rechtstreeks naar de Azoren brengen. Echter dan loop je grote kans om al snel in de windstiltes te belanden van het bekende “Azoren hoog”. Het standaard advies voor de oversteek is daarom om eerst een wat noordelijke route te volgen tot ongeveer de 38 breedtegraad en dan pal Oost te gaan varen. Dan zou je vaak een gunstige, westelijke, rugwind krijgen omdat je dan net boven het Azoren hoog vaart. Ook de depressies die vaak rond de 40 breedtegraad liggen zorgen dan voor een rugwind (wet van Buys Ballot). Dat is de theorie. De praktijk tijdens onze overtocht was echter dat de hoge en lage druk gebieden zich niet aan de theorie hielden. Het Azoren hoog was vaak nergens te vinden, terwijl de lagedruk gebieden vaak zuidelijker en ook heftiger waren en voor veel wind en hoge golven zorgden. We hebben daarmee stomme pech gehad, andere Nederlandse zeilboten die een paar weken voor ons de overstaken hebben alleen maar heerlijk zeilweer gehad.

 

In het ritme komen.

De eerste 5 dagen was  het prima zeilweer waardoor we weer konden wennen aan het ritme van oceaan zeilen. Er  ontstond er al snel een vast ritme.

s‘Ochtends om 6:00 begon de laatste wacht en rond dat moment komt de zon meestal ook op. Het is tijdens deze laatste wacht lekker wakker worden. Met een kop warme thee in je hand kijk je om je heen naar de steeds helder wordende wereld. Ook een zonsopkomst is een prachtig kleurenfestijn. In de donkere inktblauwe hemel begint het eerst wel lichtblauw te worden in het Oosten, dan verkleurt de hemel rood, om al snel, vlak voordat de zon boven de horizon komt, steeds meer lichtblauw te worden.  Om 9:00 was de laatste wacht afgelopen, waardoor we met z’n tweeën in de kuip zaten om samen te ontbijten met een bak muesli. Vervolgens ging ik  ergens in de ochtend de weerberichten ophalen, het huisfront een email sturen en samen maakten we vervolgens een koersplan voor de komende dag(en). Voor de lunch bakten we steeds een afbakbroodje af in de oven.
Tussen de bedrijven door mochten Anne en ik ieder nog even  1-2 uur  wat bij slapen. 2 x 3 Uur slapen in de nacht was niet namelijk genoeg voor ons. Overdag een beetje bijslapen was gewoon nodig om de lange reis vol te houden. Rond  5 uur  in de middag werd het dan  tijd om samen een biertje te drinken om daarna te beginnen met het maken van het warme eten. Het ’s nachts wachtlopen begon op 9:00 ’s avonds. Afwisselend moesten we dan 3 uur in de kuip zitten, We vermaakten ons door  rustig een boekje lezen en een beetje om je heen kijken naar de veelal heldere hemel.
Omdat stil zitten in het donker vaak ook slaapverwekkend is, hadden we wel met elkaar afgesproken dat we tijdens het wachtlopen wel af en toe wat mochten wegdommelen, mits we wel steeds een wekker zetten. Het dommelen mocht immers niet omslaan in een diepe slaap. We hoefden bij deze overtocht ook niet heel erg bang te zijn voor aanvaringen. Tijdens deze hele overtocht hebben maar 4 schepen gezien. 

Dag 5

De dag was prima begonnen maar we wisten van de weerberichten die we ontvingen dat er een koude front met slecht weer en veel wind op komst was. Dat slechte weer sloeg om half 6 s ’middags toe. De bewolking nam toe, waardoor het  donker werd en de omgeving werd opeens een beetje angstaanjagend. Binnen een minuut nam de wind ineens toe tot een windkracht 7-8 en de wind draaide daarbij  180 graden naar het Noord Oosten. Pal tegen dus. Dat betekende dat we de zeilen snel moesten reven tot hele kleine doekjes. Noodgedwongen moesten we onze koers verleggen ook naar het Zuid Oosten.  Aan de wind zeilen, tegen een stormachtige wind in, is natuurlijk best spannend en vooral ook inspannend. Omdat we wisten dat de storm wel even zou duren zijn we om de beurt toch maar 2 uur gaan slapen. Om, indien nodig, snel in actie te kunnen komen, sliepen we met een volledig zeilpak aan op een bank in de kajuit. Steeds hoorden we de wind door de verstaging gillen en voelden we de boot op de golven heen en weer schudden. We konden echter niets zien van de zee omdat het pikkedonker was. Wel voelden we dat de boot het goed deed op de golven.

Dag 6-7


Toen ik in de ochtend van dag 6 naar buiten kwam om de wacht over te nemen werd het net licht. Dat was wel even schrikken omdat ik bij daglicht de golven opeens wel kon zien. De golven waren enorm geworden, vermoedelijk vaak wel 4 meter! Maar Anne en ik zagen echter ook dat de boot wel steeds redelijk rustig over deze golven heen dobberde. De angst dat een hoge golf onze boot geheel zou bedelven, konden we daardoor steeds beter van ons afzetten. Sterker nog, ook aan de wind zaten we prima beschut en helemaal droog in de kuip. Gelukkig nam in de avond van dag 6 de wind iets af tot een windkracht 5 en ook de golven namen wel wat af.

In de loop van dag 7 draaide wind naar het Zuid Oosten maar viel daarbij ook helemaal weg. Eindelijk konden we weer in de goede richting naar de Azoren gaan varen. Maar zonder wind moest de motor nu voor de voortgang zorgen.

Dag 8-10

Dit werden heerlijke dagen. Het was prachtig onbewolkt weer met niet te veel wind uit een gunstige, goed bezeilde, richting. Overdag kon de gennaker zorgen voor een redelijke vooruitgang. Dag 9 hebben we de zeilen nog even helemaal gestreken om te kunnen zwemmen. Op dag 9 konden we onszelf ook nog feliciteren met het feit dat we nog maar 1000 zeemijl hoefden af te leggen en een dag later (dag 10)  waren we om 16:00 u precies halverwege de oversteek, dus met nog maar 897 mijl te gaan. We trakteerden ons daarom op een blikje opgewarmde knakworsten. De feestelijke gedachte van halverwege de reis te zijn bleek helaas fijner te zijn dan de smaak van de knakworsten. Die waren smakeloos. Dit waren de dagen waar we van kon dromen als we weer in in stom verzeild raakten

Dag 11-12

Bij het bekijken van de weerberichten wisten we dat er opnieuw een zware depressie maar iets ten noorden van ons zou langs trekken en daarbij voor veel wind zou gaan zorgen. Om 5 uur ’s avonds begon het “feest” en trok de wind aan naar 7-8 Bft. Omdat we de wind nu schuin van achteren hadden maakten we met hele kleine zeiltjes toch veel snelheid, vooral als je bijna surfend van een golf afvaart. Bij storm midden op de oceaan zijn de golven niet alleen hoog maar gelukkig ook heel lang. Het zijn ook geen brekende golven.


Op het moment dat zo’n hoge golf vlak achter de boot is kijk je telkens tegen een muur van water aan, maar steeds tilt de golf de achtkant van de boot een beetje op, waarna de golf soepel onder de boot doorspoelt.
Toch is de gillende wind en de schommelde boot niet bevorderlijk voor de nachtrust. Om te voorkomen dat we te uitgeput zouden raken  van het ‘s nachts buiten zitten, besloten om de wachten maar in te korten naar 2 uur. Doordat we steeds noordelijker
kwamen merkten we dat het ’s nachts ook frisser werd. ’s Nachts hadden we daardoor onder onze zeilpakken opeens weer warme kleding nodig.

Gelukkig trok deze depressie snel langs ons heen en de volgende ochtend nam de wind al weer af, maar helaas werden de golven op dag 12 nog een tijdje alleen maar hoger.

Dag 13-15

Na het geweld van de tweede storm hadden we gelukkig weer 3  ontspannen met lekker zonnig weer en een prima wind die steeds ruim inviel.

Op dag 15 konden we bij het ingaan van de nacht elkaar feliciteren met het gegeven dat we nog maar 250 mijl hoefden te varen naar de haven van Horta. We kregen het gevoel dat de eindsprint nu definitief ingezet was. Wel zagen we in de weerberichten die we binnenhaalden dat het de laatste 2,5 dag weer iets harder zou gaan waaien. Er werd weer een windkracht 5-6 voorspelt. Niet heel erg heftig dus. Helaas werd de werkelijkheid veel ruiger.

Dag 16-18

Op dag 16 kwam er eerst een koudefront langs. Binnen een paar tellen waaide het opeens weer 35 knopen, een dikke windkracht 8. Gelukkig was dit koudefront wel goed voorspeld in de weerberichten, waardoor we adequaat konden reageren. Snel hadden we het grootzeil helemaal weggehaald en de genua klein gemaakt. Terwijl we alleen op de gereefde genua voeren, ging de boot soms 10 knopen. Gierend hard dus.

De weerberichten voor dag 17 en 18 verslechterden met het uur. In plaats van rustig op het eiland Faial op de Azoren aan te komen, kwam er nog even een laatste storm overzetten met windstoten van 40-41 knopen. Dat is windkracht 9! Omdat de golven nog niet geluwd waren na het passeren van het laatste koudefront, stonden er ook binnen de kortste tijd weer enorme golven. Het vervelendste was dat de golven nu van verschillende kanten kwamen, waardoor de bewegingen van de boot heel ruw en wreed werden. Zeker binnen in de kajuit werd je alle kanten op gesmeten.

Maar hoe vervelend en onrustig dit ook allemaal was, het eiland Faial kwam onafwendbaar steeds dichterbij en toen we aan het eind van dag 17 voor het eerst land zagen, konden we de uren echt gaan aftellen.

Jessica had al ons die dag al gemaild dat zij contact had gehad met de havenmeester van Horta en dat de havenmeester een plaatst voor ons gereserveerd had. We zouden hem ook 24 uur per dag kunnen oproepen met de marifoon. Toen we dat lazen besloten we dat we ook wel ’s nachts durfden aan te leggen in de haven van Horta en dat we de boot niet hoefden te vertragen om pas bij daglicht binnen te varen.

22 Juni, dag 18 dus, kwamen we om 2:00 ’s nachts aan in de haven van Horta. De havenmeester was inderdaad nog wakker en hij maakte met zijn zaklantaren ons duidelijk waar we mochten aanleggen. In de havenkom van Horta lagen we opeens helemaal beschut tegen wind en golven, ook was het opeens helemaal stil geworden om ons heen. Wat een verademing was dat! Ook als was het midden in de nacht, het afronden van de overtocht moesten Anne en ik nog wel even vieren met een paar biertje en de laatste kaas. Maar binnen een uur lagen we ieder heerlijk ontspannen in onze eigen hut. Opeens konden we gewoon rustig in ons eigen bed liggen. Geen geschommel, geen onrustig makend geluid van golven en wind, maar gewoon rust. Wat was dat heerlijk! We hadden ons portie onrust wel even gehad na een oversteek met vier stormen.

 

22. Bermuda

Aankomst

Na een overtocht van iets meer dan 7 dagen kwamen Michiel, Edwin en ik op 30 mei 2019 aan in het plaatsje St George’s op Bermuda. Om 8:00u in de ochtend konden we aanleggen, direct bij de kade van het Customs & Immigration kantoor. Het kantoor was toen nog pas net open en we werden daar gelijk geholpen door enthousiaste Customs medewerkers die ons zelfs hielpen bij het invullen van de vele formulieren. Dit soort vriendelijk en service gericht gedrag hadden we eigenlijk nergens bij andere overheidsambtenaren in het Carieb meegemaakt. We lieten dit maar heerlijk over ons neerkomen. Na het inklaren mochten we een aantal dagen aan de kade liggen bij het centrale stadsplein van St George’s.

Intermezzo: St. George’s

St. George’s werd al in 1612 gesticht door de Engelsen en diende sinds die tijd vooral als een civiele en militaire springplank en bevoorradingspost voor de toenmalige Engelse koloniën in de Verenigde Staten. St. George’s was daarvoor een prima plek omdat het stadje beschut en veilig ligt in een binnenzee op Bermuda. Het hele eiland Bermuda is omringd door talloze, slecht in kaart gebrachte, ondiepe riffen, waardoor je niet zomaar aan kunt leggen. Bermuda kun je eigenlijk alleen maar via drie smalle corridors veilig aandoen. Deze drie enige aanvoerroutes tussen de riffen waren in het verleden vanuit het eiland ook prima te verdedigen omdat ze vlak onder de kust liggen. Vijandige schepen met kwade bedoelingen konden daardoor vanuit een aantal forten aan de kust beschoten worden. Bermuda is daardoor vanaf de 17e eeuw altijd in Engelse handen gebleven tot dat het onafhankelijk werd. Het eiland is dus nooit door andere landen veroverd.

Tegenwoordig is St George’s een kleurrijk historisch toeristenstadje vol met prachtig gerestaureerde gebouwen. Het stadje staat daarom als een van de weinige steden in de Nieuwe Wereld op de Unesco Erfgoed Lijst.

Gelijk het eiland verkennen

Na een eerste verkenning van St George’s te voet kwamen we een fietsverhuurbedrijf tegen waar we direct fietsen gehuurd hebben. Ondanks de slechte nachtrust die we op zee hadden gehad, zijn we ’s middags direct op de fiets richting de hoofdstad Hamilton gefietst. Toen bleek ons al direct dat, buiten St. George’s, Bermuda eigenlijk één grote vakantievillawijk is voor gepensioneerde Amerikanen.

Bijna het hele eiland was vol geplaveid met witte bungalows. Leuk om een keer te zien, maar ik kreeg wel het gevoel dat de oorspronkelijk natuur geheel weggevaagd was.
Hamilton zelf bleek een grote, westers aandoende, stad te zijn, met vele glazen kantoorpanden voor de trustkantoren, advocatenkantoren en accountantskantoren die de basis zijn voor de lokale financiële industrie rondom de postbusvennootschappen. Deze zijn hier allemaal gevestigd vanwege het fiscaal vriendelijke klimaat van Bermuda en de stabiele juridische, fiscale en financiële infrastructuur.  Als fietsers waren we echter niet zo geïnteresseerd in het opzetten van een postbusvennootschap, maar waren we wel dorstig geworden.

Onze dorst konden we prima blussen bij de Royal Bermuda Yacht Club. Deze zeilclub is in 1844 opgericht door een aantal Engelse marine officieren en is daarmee een van de oudste zeilclubs ter wereld. Normaal mag je als toerist het prachtige clubhuis niet bezoeken, maar zodra we zeiden dat we zeilers waren, werden we meteen met alle egards ontvangen en konden we een drankje drinken in de bar van het historische clubhuis. De clubmanager die ons ontving was uiteraard gekleed in de formele Bermuda dresscode: dus ”jasje dasje”, maar dan wel met een korte broek en hoge kniekousen.

 

 

Omdat het aan de kade van St. George’s ’s avonds wel wat rumoerig was, zijn we na twee dagen aan de kade, toch maar achter ons anker gaan liggen in de binnenzee van St George’s.

Voordeel van het ankeren was natuurlijk dat we weer heerlijk ’s ochtend en ’s avonds het heldere water in konden springen om ons schoon te spoelen. Met een aantal voor anker liggende boten hadden we ook al snel contact hetgeen nog uitmondde in een gezellige borrel voor alle voor anker liggende schepen.

Boodschappen

Boodschappen doen in St George’s ging prima, vooral dankzij een hele goede, maar helaas extreem dure supermarkt. Ik denk dat de meeste producten er 2-3 maal zo duur zijn dan in Nederland. Echter zonder verse en houdbare etenswaren konden we simpelweg niet beginnen aan de overtocht naar de Azoren, dus we moesten er wel boodschappen doen. Met twee boodschappenkarren vol was ik opeens $600 armer, waarbij we dan nog “gematst” werden met de 5% discount voor zeilers.

Als je boodschappen moet doen voor een oversteek van 17 dagen dan is het uiteraard van belang om goede boodschappenlijsten te maken om zeker te weten dat je onderweg niets tekort komt en om ook genoeg ten te hebben voor als de tocht onverwacht een aantal dagen langer duurt dan gepland.

Verse producten blijven natuurlijk niet heel lang goed. Dat betekende dat we alleen voor de eerste week vers vlees hadden dat  in de koelkast goed bleef. Daarna hebben we veel plezier gehad aan vele vormen van worst. Vooral de chorizo worsten waren prima en smakelijk voor in de rijst- en pastamaaltijden. Met veel Griekse yoghurt en muesli hadden we het ontbijt ook prima geregeld. Voor het brood bij de lunch konden we in de supermarkt cracker of vies, klef, maar wel houdbaar Engelse fabrieksbrood kopen. Maar gelukkig hadden we voor de eerste 10 -12 dagen een veel beter alternatief. Bij de lokale bakker in St. George’s konden we namelijk brood bestellen dat we zelf konden afbakken in ons oventje. We hadden in de BVI’s al geleerd dat we dit zelf af te bakken verse brood ca. 10 dagen goed konden houden.  Na deze periode raakte dit verse brood toch wat beschimmeld en moesten we helaas alsnog overschakelen op crackers en het “eeuwig verse” fabrieksbrood.

Wij konden als rijke boottoeristen deze vreselijk dure boodschappen nog (net) betalen, maar voor de lokale bevolking zijn de dure boodschappen natuurlijk een ramp. De lokale bevolking van Bermuda kan dit alleen maar betalen door zich helemaal suf te werken. Van een aantal locals hoorden we dat ze 2 of 3 banen hadden om te kunnen overleven op Bermuda. Omdat het hele eiland volgebouwd is, is er natuurlijk ook hele maal geen ruimte meer om zelf voedsel te verbouwen op het eiland. Bijna alle levensmiddelen werden daarom invlogen vanuit de Verenigde Staten.

Weer eens naar de kapper

Grappig hoogtepuntje op Bermuda was voor mij een bezoek al de lokale barbier. Deze barbier knipte met veel aandacht en voor geen geld en zorgde voor een weer toonbaar kapsel. Zo’n goede kapper was een verademing. In de Spaans sprekende landen ben ik twee maal naar een kapper geweest die geen woord over de grens sprak, terwijl ik op de Caribische eilanden 2 kappers bezocht heb die heel aardig waren, maar vooral veel ervaring hadden in het knippen van kroeshaar.

Op de brommer over het eiland

Na Michiel en Edwin uitgezwaaid te hebben kwam mijn roeimaat Anne in Bermuda aan boord. Anne zou met mij de oversteek naar de Azoren gaan doen. Met Anne heb ik eerst nog een aantal dagen Bermuda verkent, nu niet met een fiets, maar met een comfortabele bromfiets. Voor dat we de brommer meekregen moesten we echter nog wel eerst even een bromfietsexamen afleggen.

Opnieuw werd ons duidelijk dat de omgeving van St George’s het mooiste deel van het eiland was, met prachtige baaien en zwemstrandjes

 

21. De oversteek naar Bermuda

Na een viertal weken op de British Virgin Islands was het tijd om definitief afscheid te nemen van het Carieb. Dat betekende vooral ook een afscheid nemen van maanden onbezorgd varen. Altijd met lekker veel zon en een stevige maar stabiele wind uit het Oosten. Afscheid nemen van het Carieb betekende ook een definitief begin maken met een lange terugweg richting Nederland.

 

Laatste dagen op de British Virgin Islands

De laatste dagen op de BVI’s heb ik vooral besteed aan het doen van boodschappen voor een overtocht van ca. 8 dagen, het vullen van alle water-, diesel- en gastanks, en het verrichten van wat laatste onderhoudsklussen. Ook werden de weerberichten voor 14 dagen vooruit grondig bestudeerd om de beste vertrekdag te selecteren. Met behulp van alle luchtdrukkaarten, gribfiles , het weerprogramma Predictwind wisten we dat de wind onderweg niet al te krachtig zou worden. Dat accepterend hebben vervolgens vooral gezocht naar een vertrekdatum die naar verwachting de minste tegenwind zou opleveren op weg naar Bermuda.

Toen alle inkopen, onderhoudsklussen en voorbereidingsklussen klaar waren, ben ik met de nieuwe opstappers Michiel en Edwin nog een keer een klein rondje gaan zeilen in de BVI’s. Nog een keer werden de Baths, Norman Island en de Indians bezocht

Eindelijk vertrekken

Ns dit laatste rondje door de BVI’s was het over met de pret en na uitgeklaard te hebben in Road Harbour zijn we 22 mei 2019 rond het middaguur vertrokken. De eerste 24 uur gingen nog helemaal geweldig: goede wind en in de eerste 24 uur kwamen we 126 mijl dichter bij Bermuda. Kortom heerlijk zeilen met een goede snelheid.

Of althans heerlijk voor mij, want Michiel en Edwin waren gelijk al zeeziek en hebben het eerste warme eten gelijk al aan de vissen moeten voeren. Gelukkig heeft het en hun niet van weerhouden om wel steeds wacht te lopen.

Problemen en te veel motoren

Zoals gezegd, de eerste 24 uur was de wind fantastisch, maar eigenlijk hebben we de 7 dagen daarna alleen maar tegenwind en met name te weinig wind gehad. Dat betekende dat de motor overuren moest draaien. In de 188 uur  op zee hebben we 114 uur gemotord om nog wat vooruitgang te maken. Dat is niet leuk. Sterker nog, we hebben onderweg vele rekensommen moeten maken om zeker te weten dat we niet zonder diesel zouden komen te zetten. We hadden de dieseltank van 220l in de BVI’s helemaal volgetankt daarnaast hadden we ook nog 3 jerrycans van 20 liter meegenomen. In totaal dus 280 liter. Vooral toen we van dag 4 t/m 7 gemiddeld 22 uur per dag moesten motoren, werd het wel wat spannend of we niet zonder brandstof zouden komen te zitten. Gelukkig was de wind de laatste twee dagen redelijk zodat we toen minder hoefden te motoren.

Een bijkomend probleem werd ook nog een terugval van de bootsnelheid op de motor. Normaal houd ik rekening met een snelheid van tenminste 5 knopen als de motor 2000 toeren draait. Echter de motor draaide niet lekker. Vanuit de uitlaat kwamen zware roetwolken en het toerental – en daarmee ook de snelheid van de boot – zakte steeds verder terug. Halverwege de oversteek hadden we nog maar een snelheid van 3 knopen op de motor. De reis dreigde zo ook heel lang te gaan duren en misschien zouden Michiel en Edwin  hun (hele dure) vlucht vanaf Bermuda naar Nederland missen. Zelf was ik bang dat we de motor hadden opgeblazen of dat de turbokop van de motor verstopt zou zijn. Dat laatste had ik al eerder gehad. Allemaal geen prettige zaken en vooruitzichten dus. Aan boord ontstond daardoor een aantal dagen   een wat bedrukte stemming. Echter ook bij 3-4 knopen snelheid maak je altijd nog 85 mijl per dag, zodat we ook wel wisten dat de reis van 843 mijl eens zou eindigen.

Gelukkig niet alleen maar narigheid

De zorgen over de mogelijk kapotte motor gingen halverwege gelukkig snel voorbij. Tijdens een absolute windstilte besloten we namelijk om om de beurt de Oceaan in te duiken als opfrissertje. Toen Michiel in het water lag zag hij opeens dat de schroef vol met wier zat. Nadat hij dit wier uit de schroef getrokken had en nadat we ons allemaal afgespoeld en opgedroogd hadden, starten we de motor. Die liep opeens weer als een zonnetje en de boot maakte gewoon weer 5 knopen snelheid.  De zorgen over de opgeblazen motor of turbokop kon ik toen weer van me afzetten. Vervelend was wel dat elke paar uur de snelheid weer wegzakte omdat de schroef weer vol wier zat. Daardoor moesten we onszelf verplichten om regelmatig het water in te springen om de schroef weer te ontdoen van het Saragossa wier. Zo’n straf is dat echter niet bij zonnig, windstil weer

 

 

 

 

 

 

 

 

Een bijkomend voordeel van zonnig weer waren ook de fantastische zonsondergangen. Elke dag hadden we rond 20:00u een fantastische zonsondergang waarbij de hemel van blauw, via de meest mooie roodschakeringen langzaam donker werd. Alhoewel de foto’s van zonsondergangen op de duur bijna saai en voorspelbaar worden, was het toch steeds een sprookje om te zien.

Motoren met weinig wind zorgde er ook voor dat de boot weinig beweging maakt en altijd keurig recht overeind voer. Dat zorgt ervoor dat ik ’s nachts ook in mijn eigen comfortabele bed in de punt van de boot kon liggen. Daar heb ik tijdens de ruwe overtocht van Bermuda naar de Azoren vaak naar terugverlangd!

De laatste loodjes

30 Mei arriveerden we om 8:00 uur lokale tijd in het stadje St. George’s op Bermuda. De reis van 843 mijl hadden we afgelegd in 188 uur met dus  een gemiddelde van maar 4,4 mijl per uur.

In de pilot stond aangegeven dat we 30 mijl voor aankomst in Bermuda de Coast Guard moesten aanroepen om kenbaar te maken dat we er aankomen. Op zo’n manier kunnen de Coast Guard ons op hun radar en AIS volgen. Dus om 2:00 ’s nachts, in het pikkedonker, riepen wij Bermuda Coast Guard op om ons te melden. We werden daarop in het meest bekakte Engels dat maar denkbaar is vriendelijk bedankt voor onze melding en ook er werd ons direct gevraagd of we wel goede en actuele detailkaarten hadden van Bermuda. Deze vraag was wel begrijpelijk omdat Bermuda omringd wordt door ondiepe riffen, welke menig schip heeft doen stranden.

Net aangekomen

Mensen zijn, zoals bekend, kuddedieren. Zo ook wij. Wat is dus de eerste twee dingen wat we deden net nadat we waren aangekomen: 1) met elkaar iets eten en drinken, 2) het thuisfront berichten dat je veilig bent overgekomen en 3) snel al je mails en appjes bekijken  Pas na deze echte essentialia voor zeezeilers denk je als zeezeiler na over wat je verder zou kunnen gaan doen. Lekker douchen, haren wassen en scheren met veel zoet water staat dan vervolgens weer hoog op de prioriteitenlijst.

 

20. de British Virgin Islands


24 April vertrok ik samen met Els en André vanuit St-Maarten naar de British Virgin Islands. We voeren echter eerst nog langs de Prickly Pear Islands welke onderdeel zijn van Anguilla. Omdat ik daar een aantal dagen daarvoor zo geweldig gesnorkeld hadden, hebben we opnieuw het anker uitgegooid in de baai van het Oost eiland van Prickly Pear Islands en zijn we het onbewoonde koraaleiland weer gaan verkennen. Terug bij de boot inspecteerde ik nog even het anker en daarbij zag ik tot mijn schrik dat het anker niet ingegraven was, maar op 6 meter diepte geklemd lag onder een groot brok koraalrots. We konden gelukkig met een listige manoeuvre het anker nog onder de rots vandaan trekken, waarna we alsnog echt konden beginnen aan de oversteek van ca.80 mijl naar de British Virgin Islands. Na een ontspannen nachtje doorvaren kwam de volgende dag het eiland Virgin Gorda al snel in zicht en kon ik beginnen aan 4 weken rondvaren op de British Virgin Islands. Na twee dagen vertrokken Els en André, waarna echtgenote Jessica zich meldde voor 3 weken ontspanning op de BVI’s. Na deze 3 weken vertrok Jessica en zijn Michiel en Edwin opgestapt om mee over te steken naar Bermuda.

Intermezzo: de British Virgin Islands (BVI’s)

Dit zijn een groep grotere en kleinere eilanden die rond een soort van binnenzee liggen. Het gebied beslaat in totaal maar een oppervlakte van 25 mijl bij 9 mijl, waardoor de vaarafstanden kort blijven en er veel tijd overblijft om lekker te relaxen of te snorkelen. Eigenlijk lijkt het gebied heel veel op de eilanden rond Lefkas in Griekenland, maar dan wel met altijd een constante lekkere wind.

Ik had al heel veel positieve verhalen gelezen over zeilvakanties op de BVI, vooral van mensen die op de BVI’s een boot huurden voor een week of twee. Die huurboten waren voor ons meteen ook een domper. Het was op vele ankerplaatsen vaak druk met grote huurcatamarans die, volgeladen met luidruchtige Amerikanen, de rust verstoorden. Op rustige ankerplekken was het echter heerlijk. Mooiere zonsondergangen dan op de BVI’s bestaan er niet.

Omdat ik met 3 crews in een klein gebied 4 weken rondgezeild heb, heb ik de meeste eilanden een aantal malen bezocht. Hieronder daarom maar een soort rondleiding door het gebied.

Virgin Gorda

In Virgin Gorda zijn er twee mooie plekken die ik beiden een aantal malen bezocht heb.


Allereerst was dat de Gorda Sound. Dat is grote baai in het Noorden van het eiland. De orkaan Irma bleek heftig te hebben toegeslagen in deze baai, waardoor alle marina’s en restaurants er nog allemaal of vernietigd bij lagen of nog opgebouwd werden. Er was dus geen vermaak in de baai, waardoor het er heerlijk rustig was. Op de eerste avond dat ik er was gooiden we wat organisch etensafval overboord.

Toen we ’s nachts in het water keken zagen we een groep grote vissen de hele tijd rond de boot de boot zwemmen. Eerst dachten dat we (eindelijk!) haaien rond de boot zagen, dat leek ons uiteraard wel spannend. De volgende dag zwommen ze nog steeds rond de boot, maar navraag  bij lokale duikers bleek echter dat dit grote, maar ongevaarlijke, loodsvissen waren.

Zoals gezegd, het eiland was zwaar getroffen door de orkaan Irma. Vooral in en rond enige plaatsje op het eiland, Spanish Harbour, schrokken we van de situatie. In vele straten was twee jaar na Irma nog steeds geen enkel huis hersteld. Meestal zag je slechts een betonnen vloer met een toiletpot. De houten opstallen waren tijdens de hurricane helemaal weggewaaid. Iedereen in het dorp was daarom nog steeds bezig om met grote bulldozers bouwpuin, omgewaaide bomen en autowrakken op grote hopen te schuiven. Ik kreeg er kippenvel van. Extra wrang is dat een aantal zeer exclusieve toeristenlocaties zijn rond Virgin Gorda al wel hersteld zijn. Voor het herstel van deze luxe vakantielocaties voor de happy few is altijd wel geld te vinden. Los van gebrek aan geld was er op Virgin Gorda ook simpelweg een gebrek aan nieuwe bouwmaterialen.

De mooiste plek van het de hele BVI ‘s ligt op de Zuid punt van Virgin Gorda, namelijk de Baths. Dit zijn een aantal grote rotsen die half in het water en half op het strand liggen. Het prachtige is dat je door deze rotsblokken heen kunt lopen waarbij je soms tot je heupen in het water staat en soms over hoge rotsblokken heen moet klauteren.


Nog mooier is dat het water er griezelig helder en blauw is en het zand er akelig wit is. Dit zorgt vooral onder water voor een adembenemend mooie plaatjes waarbij je moeiteloos een tientallen meter zicht hebt. Om de Baths te bereiken heb je als zeiler het voorrecht om voor de rotsen van de Baths een mooring op te kunnen pikken, om vervolgens met de rubberboot tot vlak voor de kust te varen. Je mocht met de rubberboot echter niet het strand op. Ook je rubberboot moest je vlak voor de kust vastknopen aan een door de National Park Trust speciaal daarvoor neergelegde mooringlijn. Daarna had je slechts één keus: overboord springen en naar het strand zwemmen. Wetende dat elke dag tiental zeilboten en ook tientallen toeristenboten dit doen, besef je dat dit ook inderdaad de enige manier om het koraal en de rotsen te behoeden voor vernietiging en vervuiling. Waar we in de Gorda Sound dachten (eindelijk) haaien te zien, kon ik bij de Baths weer een vinkje zetten op mijn bucket list. Jessica en zagen daar onze eerste haai onder water. Helaas hadden we toen geen onderwatercamera bij ons, maar de zusterhaai van ca. 3 meter zal ik niet snel vergeten.

Jost van Dyke

Jost van Dyke is het meest westelijke eiland van de BVI’s. Het eiland is genoemd naar een Nederlandse zeerover, die van hieruit op strooptocht ging. Op het eiland zijn alleen bij Great Harbour wat (toeristen) winkeltjes en restaurants te vinden aan een zandpad. We zijn een aantal malen op Jost van Dyke geweest en omdat Great Harbour op een keer te vol was, zijn we een ook keer uitgeweken naar het kleinere Little Harbour. Daar was alleen een (gesloten) restaurant te vinden en een aantal geankerde boten. Vanwege de rust in Little Harbour hebben we daar misschien nog wel fijner gelegen dan in Great Harbour.

Hoogtepunt op Just van Dyke was voor ons echter een middag voor anker liggen bij Sandy Split aan de Oostkant van het eiland. Dat is een klein, geheel onbewoond, koraaleiland .  Het voelde nog steeds heel speciaal om vanuit de boot naar de kant te zwemmen om dan op een eiland van alleen maar spierwit koraalzand rond te lopen.

Tortola

Het hoofdeiland van de BVI’s is Tortola met als hoofdstad Road Harbour. Op Tortola is ook het internationale vliegveld van de eilanden. Nu stelt dat niet zo heel veel voor. De meeste Nederlanders zullen eerst naar St-Maarten vliegen om daarna in een klein 10 persoon vliegtuigje te stappen die vanuit St-Maarten in een uurtje naar Tortola vliegt.  In de vertrekhal van het vliegveld is ook tamelijk informeel. Er scharrelen gewoon kippen door de vertrekhal en de rondlopende poezen zullen er vermoedelijk voor zorgen dat er niet te veel muizen en ratten komen.

Ik heb een week in een Village Cay Marina in Road Harbour gelegen. Ook daar waren de effecten van hurricane Irma nog goed zichtbaar. In het water lagen nog overal wrakken van verlaten zeiljachten. Alhoewel minder heftige dan op Virgin Gorda, waren er ook nog veel panden beschadigd.

Omdat er vanuit Tortola honderden jachten (en vooral catamarans) verhuurd worden, waren de voorzieningen om jachten te onderhouden er prima. Er moest het nodige aan de Atropos gebeuren, van een nieuwe toiletpot tot motoronderhoud aan de diesel. Dat is allemaal prima gelukt door kundige onderhoudsspecialisten.

Vanuit de bar van Village Cay Marina heb ik via het internet ook nog kunnen genieten van het Eurovisie Song Festival, waar “onze” Duncan won. Tijdens de avond heb ik via WhatsApp steeds commentaar kunnen uitwisselen met mijn oud opstappers Etienne en Stefan. Groot voordeel van het tijdverschil met Nederland was wel dat ik om 9:00u lokale tijd de uitslag al wist, terwijl Etienne en Stefan dat pas diep in de nacht wisten. In de marina heb ik uiteraard ook lokale en Amerikaanse bezoekers mee laten genieten van onze Europese cultuur. Zij kenden het hele bestaan van het Eurovisie Songfestival uiteraard niet, maar naar een aantal rondjes Carib bier, vond iedereen het een geweldig festijn.

Norman Island

Anderhalf uur varen ten zuiden van Tortola ligt een klein, onbewoond, eilandje genaamd Norman Island.
Ik heb daar wel vijf keer aan een mooring gelegen en met mij alle bemanningen die me op de BVI’s  hebben bezocht. Steeds was het er paradijselijk mooi en rustig. Wandelen op het eiland en snorkelen was er steeds een belevenis.


De grote goed beschutte Bight baai was mooi, maar het allermooist vonden we de ankerplaatsen in Privateer Bay.Van daaruit konden we met de rubberboot weer tot vlak bij de kust komen om dan te snorkelen in en rond een aantal grotten. Helemaal geweldig was het snorkelen bij een grot waar duizenden hele kleine visjes rondzwommen, welke vanuit het opgejaagd werden door een soort van kabeljauwen van 1,5m lang en die vanuit de lucht bestookt werden door duikende pelikanen.
Vooral de pelikanen die als een soort van duikbommenwerper het water indoken was spectaculair om te zien vanuit het water.

De Indians

Ik besef dat ik in superlatieven blijf schrijven was er vlak bij Norman Island een kleine rotsgroep, de Indians.Dat was echt nog weer een overtreffende trap. De Indians zijn een aantal rotsen die te midden van allerlei riffen liggen. Er waren daar door de National Park Trust een aantal moorings neergelegd, waar je alleen overdag een uurtje aan mocht liggen. Ik heb dat een aantal malen gedaan omdat de onderwaterwereld er zo mooi is.

Je snorkelt daar tussen steile riffen en ondiepe baaitjes en dat alles begroeit met mooie koralen. Overal was er een overdaad aan de meest kleurrijke koraalvissen. Ik had op St-Maarten een kaart gekocht waar de meeste koraalvissen op staan. Rond Norman Island en de Indians kon je echt een vinkje zetten bij bijna alle op de kaart staande vissen

19. St Maarten, Anguilla, St Barths, Saba en opnieuw St Maarten

Na afscheid genomen te hebben van het prachtige St Eustatius, ben ik 9 april in een lange dagtocht naar St Maarten gezeild.

Het bijzondere van St Maarten is dat je, naast een aantal baaien op zee, ook in een soort binnenzee, de “Lagoon” genaamd kon liggen. Ik wilde daar graag heen omdat ik inmiddels ontdekt had dat in het Nederlandse deel van de Lagoon veel winkels en onderhoudsbedrijven waren voor zeilboten. Omdat mijn buitenboordmotor in St Eustatius definitief de geest had gegeven had ik dat soort bedrijven even hard nodig.
Om de Lagoon in te komen moet je door een typisch Nederlandse ophaalbrug. Omdat in de pilots stond dat die brug maar 4 maal per dag opengaat voor binnenkomend verkeer, heb ik hard moeten varen voor de brug van 15:00 uur. Het was lang geleden dat ik rekening moest houden met een gesloten brug. De laatste keer was de dag dat ik in juni 2018 uit Medemblik vertrok.

Aangekomen in de Lagoon verbaasde ik mij over de enorme superjachten die inmiddels ook weer in de Lagoon lagen. Los van grote superjachten was het aantal motorbootjes met veel te veel pk’s in hun buitenboordmotor(en) amper te tellen. 3x300pk was zo ongeveer het gemiddelde. Ik schrok op St Maarten van het grote aantallen wrakken welke nog in het water en op de kant lagen als gevolg van de orkaan Irma.  In het Nederlandse deel van St Maarten hebben de meeste ondernemers al wel het initiatief genomen om hun business weer snel en goed op te bouwen. Echter aan het opruimen van wrakken kan niemand wat verdienen. Er ligt geld van de Nederlandse overheid klaar om de wrakken op te ruimen, maar de lokale autoriteiten van St Maarten doen nog al moeilijk over opruimvergunningen. Volgens de roddels die ik op het eiland hoorde van locals, wil de lokale overheid nog steeds een deel van het internationaal beschikbaar gestelde geld in eigen zak steken, waardoor de internationale autoriteiten die o.a. het Nederlandse donorgeld mogen vrijgeven, dit geld nog steeds niet durven vrij te geven. Eerlijkheid gebied wel te zeggen dat het aan de Franse zijde van St Maarten nog veel erger was. Daar was nog helemaal niets opgeruimd en ook nog helemaal niets geïnvesteerd in de wederopbouw. Volgens dezelfde roddels die ik hoorde van locals van St Maarten, is de Franse bevolking van St Martin niet gewend om zelf initiatief te nemen voor wederopbouwwerk. Verslaafd als ze zijn aan steun en subsidies van de Franse overheid wacht iedereen op St Martin nog steeds op acties van de Franse overheid.

Zoals al  opgemerkt waren er een groot aantal watersportzaken en bootservice bedrijven in de Lagoon. In het straatje langs de Lagoon kon ik wel bij 4 bedrijven een nieuwe motor kopen. Binnen een dag was ik dus weer heel wat geld lichter, maar hing er wel een mooie nieuwe Yamaha 6 pk aan mijn dinghy. Eindelijk kon ik nu ook makkelijk in plané komen, maar vervolgens bleek natuurlijk dat mijn dinghy daar niet heel erg geschikt voor is. Gelukkig heb ik mezelf kunnen bedwingen om niet ook nog een nieuwe rubberboot met hard bodem te kopen.

In St Maarten heb ik opstappers Herman en Henk opgehaald van het Prinses Juliana vliegveld. Met z’n drieën hebben we in een huurauto St Maarten verkent. Zo kwamen we er al snel achter dat St Maarten en ook het Franse deel van het eiland nou niet tot de mooiste eilanden behoorden die we tegen waren gekomen. Alle mooie gedeelten van het eiland en alle mooie baaien waren namelijk volgebouwd met resorts.  Dat is leuk voor een lekkere lunch, maar het authentieke easy going Carieb gevoel dat ik eerder had, was door het overontwikkelde toerisme eigenlijk wel verdwenen.

Met Henk en Hermen gingen we een rondje rondom St Maarten zeilen, waarbij we Anguilla, St Bart en Saba aan zouden doen om de trip weer te beëindigen in St Maarten.

Anguilla bleek een laag, langgerekt eiland te zijn dat ook helemaal volgebouwd was met resorts. Niet bijzonder aantrekkelijk dus. Wel bijzonder waren wel de drie onbewoonde eilandjes iets ten noorden van Anguilla: Prickly Pear West, Prickley Pear East en Sandy Island. De beide  Prickly Pear eilanden waren volledig onbewoonde koraaleilandjes. Na het anker uitgeworpen te hebben sprongen we in het water en snorkelden we door het helderste water van de wereld naar een klein strandje. Vandaar konden we het prachtige eilandje verkennen waarbij we ons Robinson Crusoe waanden (of Tom Hanks met zijn Mr Wilson).


De dag daarop, op 14 april, zij we voor anker gegaan bij Sandy Island. Ook dat was weer een kaal koraaleilandje dat maar een meter boven het water uitsteekt.
Maar dit eiland had overdag een restaurant. Het geeft wel een heel bijzonder gevoel om de Atropos eerst aan het anker te leggen om daarna in
zwembroek met een dinghy naar het eilandje te varen, om dan heerlijk te lunchen met je blote voeten in helder wit koraal zand en uitzicht op de boot en het azuurblauwe water.

Weer een dag later zijn we doorgevaren naar St Barths, of eigenlijk Saint Barthélemy zoals de Fransen het eiland noemen.

De bijzondere historie van St Barths

 Net zo als veel andere Caribische eilanden heeft Columbus St Barths in 1493 ontdekt en was het eerst een Spaanse kolonie. Rond 1650 werd het eiland bevolkt door een 50-tal Franse kolonisten, daartoe aangemoedigd door de toenmalige gouverneur van de Franse West Indische Company. De ontwikkeling van de kolonie en de plantages liep echter maar matig en in 1784 werd het eiland daarom door Frankrijk verkocht aan de Zweden. De Zweden wilden namelijk ook graag een kolonie in het Carieb. Door er een vrijhaven van te maken en de lokale plantages te laten bewerken door slaven, werd St Barths in Zweedse handen opeens een succesvolle kolonie. Echter na de afschaffing van de slavernij in 1847 en na een heftige orkaan in 1852 was het gedaan met de welvaart op St Barths. De Zweden verkochten het eilandje  in 1878 daarom weer terug aan de Fransen. De Zweedse invloed is echter nog niet helemaal verdwenen. Alleen al de naam van de hoofdstad van het eiland: Gustavia, maakt de Zweedse herkomst duidelijk. Ook zijn veel straatnamen in Gustavia nog tweetalig: Zweeds en Frans.

St Barths heeft zich de laatste jaren ontwikkeld tot een tropische versie van St Tropez. Mooie luxe restaurants, hotels, winkels met overal personeel dat in de zomer aan de Franse Riviera werkt en in de winter in St Barths. Het is daarmee ook en eiland voor de zeer rijken geworden. Naast de luxe winkels, restaurants en hotels was dat ook zichtbaar in de zeilraces die georganiseerd werden in de week die wij daar waren.

Dit was nogal een exclusieve aangelegenheid met heel veel zeilboten van iets van 100 voet met alles van carbon en een overdaad aan ingevlogen betaalde crews. Allemaal prachtig om te zien, maar alleen bereikbaar voor multi-miljoenairs.

Maar geen misverstand, het was er heel plezierig. Voor het eerst sinds maanden hadden we het gevoel weer een beetje in Europa te zijn. Dat was toch wel plezieriger dan de vele  eilanden die ik had bezocht en die  slechts er op gericht waren om Amerikaanse toeristen te vermaken met casino’s en andere plat vermaak

Op Goede Vrijdag 18 april zeilden we van St Barths naar Saba.

Saba is slechts een kleine, maar steile en hoge, rots van 877m hoog.  Als Nederlandse gemeente heeft het daarmee wel het hoogste punt van Nederland. Het was onze bedoeling om op Saba aan land te gaan maar dat mislukte helaas. Het hele klein haventje van Fort Bay lag helemaal vol met een ferry en vissersboten. Daarom moesten uitwijken naar een van de 6 moorings die aan de westzijde van Saba speciaal aangelegd zijn voor jachten. Ankeren is rond Saba niet mogelijk vanwege de diepte en de altijd aanwezige stevige golfslag. Vanwege deze golfslag durfden we ook niet met onze dinghy aan land te gaan. De kans dat je bij het aanmeren over de kop of lek slaat is zo ongeveer 99%. Omdat we hadden gehoord dat Saba een nog leuker eiland was dan St Eustatius hebben we wat telefoontjes gepleegd om te kijken of er een vissersboot of taxiboot ons zou kunnen oppikken. Maar het bleek dat, omdat het goede vrijdag was, niemand uit wilde varen. Zo konden lagen we voor Saba, keken we naar Saba, maar konden we helaas niet op Saba komen.

We hadden daardoor wat tijd om klusjes te verrichten, waaronder de meest nare klus die je kunt bedenken: het openschroeven van de verstopte toilet om deze weer te ontstoppen. Bij 30 graden buiten in de schaduw, 40 graden binnen, een rollende boot en een verschrikkelijke stank was dat een echte nare klus. Gelukkig wordt ik nooit zeeziek, maar alle ingrediënten daarvoor waren er volop voor aanwezig.

Alhoewel we niet aan land zijn gekomen op Saba hadden we wel veel bekijks. We lagen ongeveer 100m  van de wal en precies voor onze neus liep er een weg naar het kiezelstrand van Well’s bay.

Tenminste een keer per uur kwam er wel een auto naar beneden om ons eens goed te bekijken met een verrekijker.

 

errekijker . Daarop hebben wij uiteraard ook elke gelegenheid benutten om op dezelfde wijze de locals te bestuderen met onze verrekijker.

Na een nacht voor Saba te hebben gelegen werd het tijd om terug te gaan naar St Maarten. Henk was op St Barths al teruggaan, maar Herman moest vanuit St Maarten terug naar Nederland.

Weer aangekomen in de Lagoon van St Maarten konden weer wat klusjes verrichten en konden we ook ons grootzeil laten repareren. Het achterlijk van ons rolgrootzeil was wat gedelamineerd waardoor het zeil niet meer goed uit de mast kon rollen.  Op St Maarten werd dat prima werd gerepareerd door een zeilmaker door een heel klein stukje van het achterlijk af te knippen.

18. Antigua, St Kitts & Nevis en St Eustatius


18 Antigua, St Kitts en Nevis en St Eustatius

Antigua
Bij het vertrek uit Guadeloupe op 30 maart bleek dat de elektrische ankerlier het niet meer deed, waardoor ik de ketting met de hand moest binnentrekken. Dit bleek een pittig klusje te zijn, 40 meter ketting en een anker van 20 kg. Maar zo had ik mijn ochtendgymnastiek ook weer achter de rug.
Na Guadeloupe verlaten te hebben en na een lange dagtocht met prachtig zeilweer kwam ik aan in English Harbour aan de Zuidkust van Antigua. ik in mijn eentje aan het zeilen was en mijn ankerlier het niet deed, moest ik een tijdje op zoek gaan naar een mooring die redelijk beschut lag zodat ik die in mijn eentje nog een beetje makkelijk kon oppikken. Nadat dat gelukt was en na een ankerbiertje heb ik de rubberboot weer in het water gelaten, het buitenboordmotortje geïnstalleerd en ben ik op zoek gegaan naar het Customs and Immigration kantoor om in te klaren. Zoals echte Caribische ambtenaren betamen werd het loket voor me neus dichtgegooid, zodat ik het inklaren een dagje moest uitstellen.

English Harbour bleek een prachtig beschutte baai te zijn die door Engelse Lord Nelson aan het eind van de 18eeeuw gebruikt werd als haven voor de Engels Caribische vloot
Intermezzo: Nelsons Dockyard
Lord Nelson was aan het eind van de 18e eeuw aanvoerder van de Engels Caribische vloot. Hij vond in de English Harbour een goed te verdedigen beschutte baai voor zijn Caribisch marine vloot. Daar konden zijn schepen veilig opgekalefaterd en bevoorraad worden. Om dat mogelijk te maken waren er, buiten verblijven voor het marinepersoneel, destijds ook loodsen, schuren en gebouwen neergezet voor o.a. het opslaan van hout, het repareren en maken van zeilen en voor het bewaren van kanonskogels . Al deze oude gebouwen zijn inmiddels prachtig gerestaureerd en worden nu gebruikt als kantoortjes , toeristenwinkeltjes, bakkerij, restaurant, etc.  Allemaal prachtig om te zien en vooral ook bedoeld om cruisetoeristen te vermaken die met bussen vol worden aangevoerd vanuit St John, de hoofdstad van het eiland.

In Nelson Dockyard was ook nog een luxe marina gevestigd voor de superjachten. Aan boord van deze superjachten is het altijd een gekrioel van bootpersoneel en lokale onderhoudsmensen die samen alle dagen bezig zijn om de boot in een topconditie te houden.  Zo kan de eigenaar gedurende de enkele weken dat hij ook aan boord is genieten van zijn mooie, maar verschrikkelijke, dure jacht.
Reparatieperikelen
In English Harbour bleek een goede scheepswinkel te zitten terwijl een paar honderd meter van de haven verwijderd door een jachtservicebureau gas en nieuwe telefoonkaarten verkocht werd .
Intermezzo: Jachtservice voor (super)jachten
Los van onderhoudsmensen, waren er op Antigua ook servicebureaus die o.a. als taak hadden om – samen met de kapitein van een superjacht – de bevoorrading van het superjacht te managen. Er moet immers wel top vlees, top wijn en mooie bossen bloemen klaar staan zodra de eigenaar aan boord stapt. Los van dit soort services kan het servicebureau uiteraard ook vervoer per limousine van en naar het vliegveld regelen, evenals een privé vliegtuig om snel van en naar Antigua te vliegen. Kortom ik kwam er achter dat voor de superjachten een serviceapparaat klaar stond van een omvang die ik niet kon vermoeden. Gelukkig bleken deze servicebureaus ook voor normale jachten nuttig en handig te zijn. Zo kon ik via Jane’s Yacht Service snel en efficiënt mijn gasvulling en een nieuwe telefoonkaart te kunnen regelen.
Over de kapotte ankerlier kon ik gelukkig overleggen met Leon van de Nederlandse zeilboot Eaumega. Hij is op electrotechnisch gebied veel slimmer en handiger dan ik ooit zal worden. Na een uurtje alles doormeten te hebben bleek dat de afstandsbediening van de ankerlier het begeven te hebben. Bij de scheepswinkel konden we gelukkig nieuwe bedieningsknoppen voor de ankerlier kopen en zelf instaleren, zodat ik weer heel tevreden was met een weer prima functionerend anker. Inmiddels bleek ook de buitenboordmotor kuren te vertonen, wat maar gedeeltelijk opgelost kon worden door een lokale bbm onderhoudsman. Door al dit geklus ben ik  zes dagen in de prachtige English Harbour gebleven. Ik had er nog wel langer willen blijven omdat de Antigua Classic Race een week later zou starten waaraan de Nederlandse vertrekkersboot Morgaine mee zou doen, met een aantal Nederlandse  vertrekkers als bemanning. Mijn opstappersschema was echter onverbiddelijk. Ik moest een week later 100 mijl verderop in St Maarten zijn om de volgende opstappers op te pikken.

Wel heb ik in English Harbour nog gekletst met een van de bemanningsleden van de “Hugo Boss. Dit is een mega snel wedstrijdschip dat daggemiddelden kan varen van 500 mijl. Daar steekt mijn daggemiddelde van 105 mijl wel bleekjes tegen af. Voordeel van de Atropos is wel dat je er prima en comfortabel op kunt leven en slapen. vanwege gewichtsbesparing was er op de Hugo Boss geen kooien. De bemanning moet maar een zeilzak nemen als matras om op te slapen.
Nevis
Vanuit Antigua ben ik daarom 5 april vertrokken richting Nevis. Nevis is een heel klein eilandje dat samen met St Kitts een republiek(je) is dat onderdeel is van het Engelse Gemenebest. Na een heerlijk dagtocht van 40 mijl met alleen maar mooi weer en ruime wind, kwam ik aan het eind van de middag aan bij Nevis.  Bij dit soort tochten is het een beetje jammer dat ik een ruime week alleen voer. Alleen aan boord wil en durf ik geen gennaker op te zetten, terwijl de weersomstandigheden daar ideaal voor waren. Om de gennaker te varen moet je namelijk ook op het voordek zijn. Op zich is het niet moeilijk om dit te doen en de boot met de stuurautomaat zichzelf te laten sturen. Echter als ik – solverend – overboord valt, dan kan het zo maar zijn dat de boot doorvaart terwijl ik achterblijf in het water. Daarom had ik met mezelf afgesproken dat als ik de boot alleen vaar, ik – al zeilend – alleen dingen doe die ik vanuit de (veilige) kuip kan regelen.
Omdat ik geen zin had om voor een nachtje op Nevis de rubberboot weer in en uit het water te tillen, bleef ik die avond en nacht aan boord. Nevis en het stadje Charlestown leken op een afstandje ook niet heel erg aantrekkelijk
St Kitts

6 April was ik al vroeg op stap, zodat ik, na weer een zonovergoten tochtje van 20 mijl, al voor de middag aan kon leggen in de haven van Basse Terre, de hoofdstad van St Kitts. De havenmeester maakte mij echter helaas snel duidelijk dat het niet de bedoeling was dat de Atropos in de haven bleef liggen. De haven was er alleen voor lokale boten. Maar inklaren bij Customs & Immigration mocht ik wel vanuit de haven regelen. De boot aanmelden bij het kantoortje van Customs was een groot feest, De man van Customs bleek heel plezierig te zijn. Zijn vriendin was ook langsgekomen op kantoor en samen hebben we gelachen en eten voor de lunch gedeeld. Het lachen verging mij echter bij de dame van Immigration. Die kon alleen maar hard tegen me schreeuwen dat ik  alles verkeerd deed bij het invullen van haar formulieren. Kortom, dat werd een kwestie van rustig blijven, je niet opwinden en de tijd nodig voor het invullen van inklaringspapieren simpelweg uitzingen.  Terugschreeuwen werkt immers alleen maar contraproductief.
Na het inklaren heb ik mijn boot op een verschrikkelijk hobbelige water voor anker moeten leggen. Nadat ik me ervan  overtuigd had dat het anker zich echt goed had ingegraven en de Atropos dus veilig vastlag, ben ik met de rubberboot teruggegaan naar Basse Terre. Dit bleek  niet mijn favoriete stad te zijn. Sterker nog, ik vond het er verschrikkelijk. Basse Terre had een pier gebouwd voor cruiseschepen en voor de Amerikaanse cruisetoeristen was een compleet toeristendorp gebouwd met alleen maar casino’s, juweliers, diamantverkopers, drankwinkels en winkels met snuisterijen. Na dit toeristendorp doorgelopen te zijn, kwam ik in het “echte” Basse Terre. Dat bleek een arm en vooral ook armzalig stadje te zijn, waar ik mij niet fijn en ook niet helemaal veilig voelde. Kortom ik zat al snel weer aan boord van de Atropos, klaar om de volgende dag snel te vertrekken richting het Nederlandse St Eustatius.
St Eustatius

 

Na weer een dagtocht met heerlijk zeilweer (5 Bft bakstagwind, waardoor de boot lekker snel en comfortabel vaart) kwam ik 7 april aan op St Eustatius.De lokale bevolking noemt het eiland Statia en onder die naam kent de rest van de wereld (behalve dus Nederland) het eilandje. Ik kon daar een prima ankerplek vinden, het rolde er wel een beetje omdat het eiland zo klein is dat ook aan lijzijde van het eiland de oceaandeining gewoon nog voelbaar is.
Het gaf me gelijk weer een goed gevoel toen ik op verschillende plekken gewoon de Nederlandse vlag weer zag wapperen. Dat wil niet zeggen dat er Nederlands op het eiland gesproken wordt, de voertaal is er Engels. Terwijl ik dacht dat St Eustatius een Nederlandse gemeente was, werd me wel verteld dat ik gelijk langs Customs en Immigration moest om me in te klaren. Dat bleek echter vooral een bezoek te zijn aan hele aardige mensen, zodat ik een gezellig uur later, voorzien van de nodige paspoortstempels en papieren, legaal voet aan wal kon zetten op St Eustatius.
St Eustatius was voor mij een heel fijn en mooi eiland. Daar waar ik bij St Kitts en Nevis niet wist hoe snel ik weg moest gaan, had ik nog wel een week in St Eustatius willen blijven. Het begint al als je aan land komt en rond loopt. Iedereen die je tegenkomt groet je, alle auto’s rijden heel langzaam en stoppen gelijk als je wilt oversteken. Als mensen hun auto parkeerden laten ze de sleutel ook gewoon in het contact zitten. Een auto stelen op een klein eilandje heeft misschien ook geen zin. Iedereen kent elkaars auto en de auto krijg je dus niet ongemerkt van het eiland af. Ik kreeg het gevoel dat “het touwtje van Terlouw” nog daadwerkelijk bestaat op St Eustatius.
Het eiland heeft eigenlijk maar een stadje: Oranjestad. Dat bestaat uit een aantal gebouwen aan een weg op zeeniveau (Downtown), het eigenlijke stadje (Uppertown) ligt boven op een steile rots op ca. 50 m hoogte. Veel gebouwen in Oranjestad waren prachtig gerestaureerd, waardoor het een genoegen was om door het stadje te lopen.
Intermezzo: de roemrijke historie
De bijzondere geschiedenis van St Eustatius was mij eigenlijk geheel onbekend, maar die bleek spectaculair.
Rond 1750 was St Eustatius de grootste doorvoerhaven van de wereld. Dagelijks lagen er wel 30 boten voor de rede van St Eustatius, waarbij slaven, goederen en specerijen gelijk werden doorgesluisd naar andere schepen, of werden opgeslagen in de pakhuizen in Downtown. Wel gaf het een wrang en naar gevoel dat het wandelpad dat Uppertown en Downtown verbindt het Slavenpad heette. Het is duidelijk dat de Nederlandse kooplui in die tijd slaven gewoon als handelsvoorraad zagen.
Vanaf het  fort Oranje op St Eustatius werd in 1780  – voor het eerst van de historie van de toen nog jonge Verenigde Staten – saluutschoten afgeschoten. Dit ter begroeting van een passerend oorlogschip van de Verenigde Staten. Vanwege deze saluutschoten was  Nederland de eerste natie ter wereld die het bestaan van de Verenigde Staten erkende. De vergelding van de Engelsen was heftig. Een aantal Engelse kanoneerboten zijn voor Oranjestad gaan liggen en hebben vervolgens de hele stad kapotgeschoten. Deze vernietiging is St Eustatius nooit meer te boven gekomen. De overslagfunctie ging verloren omdat alle pakhuizen en de handelsvoorraden kapotgeschoten waren, waarna St Eustatius een klein onbetekenend eilandje werd, maar wel met een bijzondere
Een  aantal van de oude pakhuizen in Downtown was inmiddels prachtig herbouwd en diende als duikshop, souvenirwinkeltjes of hotel. Bij de duikshop, gerund door een aantal Nederlanders, kreeg ik de tip om de volgende ochtend vanuit de boot richting het strand te snorkelen. Ik zou restanten van de oude standsmuur onder water zien liggen waar inmiddels veel koraal, en dus ook koraalvissen zouden zijn. Dat bleek inderdaad een spectaculaire ochtendduik op te leveren. Veel prachtig gekleurde rifvissen maar ook twee zeer grote barracuda’s. In het hotel the Old Gin House in Downtown maakte  ik al snel kennis met het Nederlandse jonge echtpaar die het hotel runnen. Ik heb daar in paar dagen tijd menig uurtje doorgebracht, al kletsen over de geschiedenis van St Eustatius, de economische misère,  de corruptie, maar ook over de economische kansen die er zijn voor het eiland.
Helaas gaf mijn buitenboordmotor op St Eustatius definitief de geest, waardoor ik een aantal malen een stevig stukje moest roeien om aan en van land te komen. Gelukkig konden deze roeitochtjes soms ook weer ingekort worden door een langsvarende dinghy om een sleepje te vragen.
Een ding weet ik zeker, ik ga nog eens terug naar St Eustatius om er meer tijd door te brengen. Ik vond het er helemaal geweldig.

17. Dominica en Guadeloupe

Dominica

 Doordat we wat tijd verloren hadden bij de reparatie van de keerkoppeling op Martinique, hebben we ons verblijf in Dominica wat moeten inkorten. Bij aankomst in Roseau op 17 maart bleek al snel dat het eiland enorm geleden had onder hurricane Maria, een hurricane van de 5ecategorie die op 18september  2017 over Dominica heen geraasd is. 90% van alle gebouwen op het eiland heeft daarbij schade opgelopen en in de heuvels bleken ongeveer alle bomen omgewaaid te zijn.
In alle pilots stond dat het goed ankeren was voor het Anchorage Hotel iets buiten Roseau. Dit hotel bleek echter nog totaal vernield en verlaten te zijn. Gelukkig bleken de moorings al wel weer neergelegd te zijn zodat we prima konden aanleggen. We werden weer extra blij toen bleek dat naast het vernielde Anchorage hotel al wel een prima restaurant was hersteld en geopend.

                                                                                                                                             De volgende dag zijn we met een taxi naar een van de hoogtepunten van het eiland gegaan: de watervallen van Trafalgar Falls. De bleken echt prachtig te zijn en het heerlijk om in het meertje onder de watervallen te zwemmen. Maar helaas moest we dat meertje wel delen met honderden Duitse cruise toeristen die met vele taxi’s en bussen aangevoerd werden.

De volgende dag zijn we doorgevaren naar de prachtige Prince Rupert Baai. Ook hier weer veel verwoeste gebouwen en natuur, wat toch een treurig gevoel geeft.

Omdat opstapper Erik een terugvlucht had geregeld op Guadeloupe hebben we maar heel kort van het mooie maar verwoeste Dominica mogen genieten. Voor hurricane Maria schijnt het een wondermooi, groen, eiland te zijn geweest, nu was het vooral treurig omdat het nog jaren zal duren voordat het arme eiland de verwoestingen te boven zal kunnen komen en de infrastructuur hersteld zal zijn.

Intermezzo: koloniaal stuivertje wisselen tussen landen

Alle Caribische eilanden hebben een turbulente historie. Meestal zijn ze door Columbus ontdekt in zijn diverse tochten naar het Caribische gebied aan het eind van de 15eeeuw. Daarbij werden de eilanden Spaans bezit. Toen echter in de 17-en 18eeeuw ontdekt werd dat er geld verdiend kon worden met het exploiteren van (suiker)plantages, hebben vooral Frankrijk en Engeland heftig om het bezit van elk eiland gevochten. De geschiedenis van Dominica laat dit ook zien. Het werd in 1493 Spaans toen Columbus er langs voer en het eiland tot Spaans bezet bombardeerde. In de 17eeeuw meende Frankrijk dat ze eigenaar moesten worden van Dominica. Vooral ook omdat het tussen de Franse eilanden Martinique en Guadeloupe inligt. De Engelsen dachten daar anders over en namen ook delen van het eiland in bezit. Bijzonder van het bijzonder bergachtige en ontoegankelijke Dominica was dat nog de Fransen nog de Engelsen er in slaagden om de oorspronkelijke Carib bevolking echt te verslaan in het ruige en ontoegankelijke berglandschap van Dominica . Ruim 30 jaar konden de lokale Carib bevolking hun onafhankelijk nog bewaren, maar in 1783 bleek de Engelsen toch in staat de lokale bevolking te verslaan. De Fransen bleven echter ook nog in het land wonen, wat er toe leidde dat veel (dorps)namen nog steeds Frans zijn op het eiland. In 1805 hebben de Fransen het eiland verlaten en hun bezit tegen een aanzienlijke vergoeding aan de Engelsen overgedragen.

Met het afschaffen van de slavernij waren de grote suikerplantages opeens niet  winstgevend te exploiteren, waardoor het “aanhouden”  van de Caribische eilanden  opeens minder aantrekkelijk werd voor de Europese landen. Dit leidde er bijvoorbeeld toe dat St Barth in het midden van de 19eeeuw door de Zweden verkocht/weggegeven werd aan de Fransen.  Uiteraard hebben de Nederlanders ook vrolijk meegedaan aan dit Monopoly spelletje in het Carieb, waardoor De ABC eilanden, St Eustatius, Saba en St Maarten nog steeds tot het Koninkrijk der Nederlanden behoren.

Veel zeilers vonden Dominica een prachtig eiland. Omdat we er door tijdgebrek maar 2 dagen zijn geweest hebben we het eiland onvoldoende goed leren kennen om een echt oordeel er over te hebben.

Point de Pitre op Guadeloupe

19 maart hebben we de oversteek gemaakt van Dominica naar Point de Pitre in Guadeloupe. Daar legden we voor het eerst sinds maanden weer aan in een grote marina. Al snel bleek dat het liggen in dit soort mega marina’s ons niet gelukkig maakt en vooral veel minder leuk is dan het voor anker liggen.

Guadeloupe is een Frans eiland met een vorm van een vlinder, met aan de West zijde het bergachtige Basse-Terre en aan de Oostzijde het veel vlakker Grande-Terre.

Onverwacht prachtige waterval en bierbrouwerij

Na Erik afgezet te hebben op het vliegveld van Guadeloupe, zijn Sietse en ik met een huurauto de binnenlanden van Basse-Terre ingereden. Opeens vroeg Sietse mij om te stoppen. Hij had gelezen over een lastig te vinden waterval.
Toen hij een aantal volledig doorweekte mensen uit het  tropische oerwoud zag komen, vroeg hij aan hun of ze de waterval hadden bezocht.
De mensen bleken inderdaad van de waterval vandaan te komen, waarna wij via een zeer glibberig paadje door een tropische regenwoud ook afdaalden naar deze waterval. Daar aangekomen waanden we ons in een paradijs. Het water van een prachtige waterval viel in een mooi meertje dat weer omzoomd werd door prachtige groene begroeiing. Vooral het feit dat wij met z’n tweeën alleen waren bij het  meertje en de waterval, gaf ons dat extra paradijselijke gevoel. Omdat we zonder zwemspullen afgedaald waren, hebben wij dit paradijselijke gevoel nog versterkt door in ons Adams kostuum te water te gaan.

Na ook weer via de glibberpaden omhoog geklommen te zijn, zijn we nog op bezoek gegaan bij de artisanale bierbrouwerij van Lezarde. Deze brouwerij was gelegen in een prachtige tropische tuin. Het was een genot om in zo’n mooie tuin een heerlijk speciaal biertje te drinken.

Ilet Gossier en afscheid van Sietse

Inmiddels hadden we op Guadeloupe mijn oud collega Etienne en z’n vriend Stefan opgehaald uit het vliegveld, waarna we (gelukkig) weer weg konden gaan uit de massale marina van Point de Pitre. We besloten om het anker uit te gooien bij het eilandje Ilet Gossier. Helaas moest ik bij Ilet Gossier ook afscheid nemen van Sietse. We hebben meer dan 4 maanden samen gezeild en geen moment was dat vervelend. Wat een voorrecht om zolang met mijn zoon te mogen samenzijn. Los van het plezier dat we samen hadden, waren we ook een goed team op zeilgebied. We vertrouwden blind op elkaar als het zeil technisch wat lastiger werd, waardoor ik  -ook bij slechter weer – mij altijd volkomen veilig voelde op de Atropos.

Les Saintes

                                                                                                                                            Na 23 maart afscheid te hebben genomen van Sietse, voeren Etienne, Stefan en ik nog  naar de eilandengroep van Les Saintes. Daar gooiden we het anker in het water op het moment van de zoveelste prachtige zonsondergang. De Saintes zijn een aantal eilandjes die  een paar mijl ten zuiden van Basse-Terres liggen. Op het hoofdeiland(je) Terre de Haut hebben we heerlijk gewandeld en prachtig gesnorkeld in de Baie de Pompierre.

Deshaies

                                                                                                                                             Na een tussenstop te hebben gemaakt op Ilet Pigeon, kwamen we 27 maart aan in de baai van Deshaies in het Noord Westen van Guadeloupe. Dit bleek fijne, rustige, baai te zijn bij een rustige stadje. Vanuit Deshaies hebben we met een huurauto het eiland verder verkent en heerlijk gewandeld in het nationaal park bij de watervallen van Chute du Carbet. Omdat je steeds door een tropisch oerwoud loopt is het er vochtig en zijn de paden heerlijk modderig en uitdagend glibberig.

Opnieuw een biertje bij Lazarde

Op de dag van het bezoek aan de Chute du Carbet hebben Etienne en Stefan de aankoop geregeld van hun nieuwe woning. Alhoewel de aankoop reden zou zijn voor champagne, we om (opnieuw) naar de biertuin te gaan van de bierbrouwerij Lezarde. Het toosten op de aankoop, met een prachtig gemaakt wit biertje in de hand, was een heerlijk feestje. Daar kon zelfs  geen fles champagne tegen op.

Helaas was daarmee de vakantie van Etienne en Stefan ook voorbij en vertrokken zij naar Nederland. Ik moest me na hun vertrek klaar maken om weer eens een weekje alleen te zeilen.

16. St Lucia en Martinique

Overtocht naar St Lucia

Na uitgeklaard te zijn bij Wallilaboe Bay op St Vincent, vertrokken we 27 februari 2019 naar Soufrierre op St Lucia. Een prima overtocht waarbij we steeds een beetje aan de wind moesten blijven varen. Omdat we onvoldoende rekening hielden met de naar het Westen gaande stroom moesten we de laatste 3-4 mijlen helaas knal tegen de wind en de stroom invaren. Niets mis mee, maar de snelheid over de grond is dan matig en het eindpunt komt maar niet dichterbij. Kortom Sietse en ik keken elkaar steeds minder gelukkig aan, zeker toen het vlak voor aankomst ook nog begon te regenen.

Gelukkig gaat regen in de Carieb snel voorbij en na dan kwamen we toch snel tot de conclusie dat we wel om een mooi plekje lagen

Soufrierre

2 mijl voor de aanlegplaats kwam de eerste boat boy ons al tegemoet om ons een mooring aan te wijzen. Deze boat boy werd vervolgens een mijl voor het eindpunt bestookt door een oud maatje van hem die hem verbaal afsnauwde, waarna we opeens een nieuwe boat boy kregen voor volstrekt nutteloze en ongewenste hulp. Gelukkig raakten we wel steeds bedrevener in het naar beneden te praten van de prijs  van deze jongens.

De nationale trots van St Lucia zijn twee puntige bergen welke bij Soufrierre staan, de Petit Piton en de Grand Piton. Beiden zijn iets van 800 m hoog, waarbij de Grand Piton uiteraard iets hoger is dan de Petit Piton. Daar wilden we uiteraard boven op klimmen. Terwijl we naar de Petit Piton liepen, kwamen er allerlei mannen naar ons toe om hun (ongewenste) hulp als “gids” aan te bieden. Vooral toen een veel te dikke kerel aanbood om ons te gidsen voor een “good price” besloten we dat we, met onze ruime bergervaring, het  zelf ook wel zouden kunnen. Helaas bleek we buiten de waard gerekend te hebben. Na een uur te hebben gewandeld kwamen we bij een slagboom, waarbij we gemaand werden om alsnog EURO 50 toegangsprijs per persoon te betalen als “vergoeding” voor het onderhouden van de touwen die opgehangen zouden zijn. Ook werd ons vervolgens nogmaals aangeraden om een gids in te huren, alsdan zou de toegang tot de berg nog maar EURO 5 pp bedragen. Na zoveel chantagepogingen gaven Sietse en ik het op en zijn we  naar beneden gegaan.

Terug bij de haven raakten we in gesprek met de havenmeester die ons aanraadde om ’s avonds vooral naar zijn favoriete barretje te gaan om een biertje te drinken. Dit eindigde in een kroegentocht, samen met de havenmeester, waarbij we na een aantal uren en vele rondjes verder tamelijk dronken werden. Maar uiteraard hebben we toen ook eeuwige vriendschap gesloten met de havenmeester. Ondanks de stevige hoofdpijn de volgende dag, heb ik daarmee wel gelijk wel het leukste moment beschreven dat we in Soufrierre meegemaakt hebben.

Marigot Bay

Na Jessica opgehaald te hebben bij Castries en na een prima overnachting in de Anse de Cochon, kwamen we 4 maart aan Marigot Bay. Dit was hele andere koek. Een kleine maar hele mooie groene baai, met een prachtig zwemstrandje vol met mooie kokospalmen.

Vanuit onze boot was het heerlijk om de hele dag naar aankomende en vertrekkende zeilboten te kijken. De baai was helemaal vol geplaveid met restaurantjes, barretjes en een enorm luxe resort. Plezierig was dat, omdat we gebruik maakten van de moorings van het resort, wij gebruik mochten maken van de faciliteiten van het resort. Opeens lagen we  in een luxe zwembad vol met zoet, maar wel oogprikkelend chloorwater en konden we ons na het zwemmen  verder schoonspoelen onder een luxe douche met heerlijk veel warm water. Allemaal luxe die we al maanden niet meer meegemaakt hadden.

In de baai bleek dat ik mijn roeitechniek uit wedstrijdboten ook kon vertalen naar onze dinghy: dus goed ver inbuigen om het water op het verste punt te pakken en zo een lange haal door het water mogelijk te maken

Rodney Bay

De laatste stop op St Lucia was Pigeon Island bij Rodney Bay.

Vlak voordat we vertrokken zijn we Pigeon Island nog even opgegaan om vanuit de top van het eiland alvast te genieten van het verzicht op Martinique. Vanwege dit uitzicht op Martinique is er in de 18eeeuw een Engels fort gebouwd op Pigeon Island. De Engelsen op St Lucia waren er bevreesd voor dat de Fransen op Martinique onverwacht pogingen zouden doen om St Lucia te bezetten

 

 

 

 

 

 

 

 

Le Marin

We zijn 6 maart Martinique binnengekomen in de enorme binnenzee van Le Marin. Daar lagen misschien wel duizend boten voor anker. Deels boten waar actief mee gevaren wordt, maar ook een groot aantal wrakken waar vermoedelijk nooit meer mee gezeild werd, maar waar nog wel op gewoond werd.  Het stadje Le Marin is op zichzelf niet spannend. Het stadje en alle voorzieningen waren echter volledig gericht op het ondersteunen van de watersport. Er waren twee grote marina’s, watersportwinkels, , leuke cafés, bootmakelaars, bootverhuurders, vele Franse supermarkten en een aantal grote bootherstelbedrijven.

Inklaren in Martinique ging niet bij een overheidskantoor, maar gewoon bij een van de marina’s. Heel simpel, niet 10 formulieren invullen, maar gewoon achter een computer eenmalig alle boot gegevens en de crewlist invullen, een printje laten maken, EURO 5, betalen en “klaar is Kees”. De Franse overheid had het administratieve leven in de Franse eilanden lekker efficiënt gemaakt.

Het was ook wel weer een verademing om terug te zijn in Frankrijk en vooral de  grote Franse supermarkten met grote versafdelingen, heerlijke Franse wijn en lekkere Franse kazen. En dat voor Europese prijzen. Het verhaal ging rond onder de vertrekkers dat de Franse overheid de extra transportkosten van de Franse supermarkt ketens sponsort, zodat het leven voor de inwoners van de Frans Caribische eilanden betaalbaar blijft. In Le Marin waren ook weer grote, goed gesorteerde, watersportwinkels wat voor mij toch iets is als een speelgoedwinkel voor volwassenen.

Vanuit Le Marin zijn we 8 maart, na het passeren van de karakteristieke Diamond aangekomen, in Anse d’Arlet. Een  prachtige, goed beschutte baai, waar we heerlijk konden snorkele., Nadat we ons anker hadden uitgegooid, liepen er ook 4 andere Nederlandse vertrekkersboten deze baai in, zodat het ook nog heel gezellig werd.

Helaas moest Jessica vanaf deze plek weer naar Nederland vertrekken.

Keerkoppeling kapot

Sietse en ik zijn daarop 10 maart naar Fort de France gevaren. De dagen daarvoor merkten we dat de keerkoppeling van de motor rare en vooral verontrustende geluiden begon te maken. We hoopten een herstelbedrijven in Fort de France te vinden voor een reparatie van de keerkoppeling, maar aldaar werden we weer vrolijk terugverwezen naar Le Marin. Alle schadeherstelbedrijven die vroeger in Fort de France gevestigd waren, bleken te zijn vertrokken naar Le Marin.

 

Maar vooralsnog lagen we even prachtig voor anker in de baai van Fort de France. Vlak voor de strandboulevard en slechts 200m van het grote fort waar de stad naar genoemd was. Na een dagje rondsnuffelen in de stad, hebben we ’s avonds opstapper Erik opgehaald en hem meteen meegenomen om in de stad lekker te gaan eten.

Helaas voor Erik hebben we moesten we voor reparatie van de keerkoppeling weer dus terug naar Le Marin, waar we gelukkig binnen drie dagen heel adequaat geholpen zijn door een monteur die niets anders deed dan de hele dag keerkoppelingen repareren.

De rum destilleerderij Clement

Omdat twee dagen dom wachten op een onderhoudsman vervelend zou worden, zijn we met z’n drieën de binnenlanden van Martinique gaan verkennen in een huurauto. Midden op het eiland kwamen we terecht bij de plantages van de rum distilleerderij van de firma Clement.
Dit was een geweldig uitstapje. Het leek wel een soort van Kroller Muller museum in Martinique. Om de fabriek was een prachtige beeldentuin gemaakt in een tropische park omgeving. Naast de oude fabrieksgebouwen waar het proces van het destilleren van rum werd uitgelegd, was er een klein maar fijn museum met topkunst van onder andere Tinguely, Vasarly en Dubuffet. Alhoewel het bekijken van al dit prachtigs het bezoek al 150% waard maakten, was de rumproeverij na afloop een soort van “kers op de taart”. Kortom al wachtend op de reparatie van de keerkoppeling hadden we een topdag op Martinique.

Weer op weg

Na opnieuw een tussenstop in Anse D’Arlet zijn we doorgevaren naar St Pierre om daar uit te klaren. Daar bleken we zelfs uit te kunnen klaren in een café, waar de café-uitbater een overheidscomputer had staan om in of uit klaren. Ditmaal zonder enige kosten, alhoewel het door de café eigenaar wel op prijs gesteld werd dat je een consumptie nam tijdens het uitklaren.   Nu zijn we de beroerten niet, en bij dorstig weer was een biertje alleen maar een heerlijke beloning.

15. St. Vincent en de Grenadines

 

 

 

 

 

 

Ik wist van te voren al dat het zeilen in de Grenadines een van de absolute hoogtepunten zou worden van de reis. Deze veronderstelling bleek geheel juist te zijn. De Grenadines zijn allemaal kleine koraaleilanden met hagelwitte stranden en helder zeewater in alle kleuren blauw.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In het hele gebied blaast constant een Oosten wind van ca. 20 knopen. Bijna alle dagen konden we weinig motoren en lekker veel zeilen in een lekker stevig briesje. Met een beetje gereefde zeilen was het zeilen op zich al fantastisch

Alle kleine eilandjes van de Grenadines vormen een republiek samen met het grotere eiland St. Vincent. Van te voren had ik wat nare verhalen over St Vincent gehoord, maar eigenlijk hebben we alleen maar hele mooie dingen beleefd en gezien op St. Vincent.

Tobago Cays

We begonnen 8 februari 2019 gelijk met het hoogtepunt. Na een dag heerlijk zeilen, kwamen opstapper Wienke,  zoon Sietse en ik aan op Tobago Cays.  Dit zijn een aantal hele kleine onbewoonde koraaleilandjes welke helemaal beschut liggen achter een hoefvormig rif welke alle oceaan deining tegenhoudt.

Omdat de Tobago Cays in z’n geheel een beschermd natuurgebied zijn, is er geen marina, en je mag er ook geen anker uit gooien omdat je dan de koralen en de zandbodem zou kunnen beschadigen. Gelukkig liggen er genoeg moorings waar je je boot aan vast kunt leggen in het helderste water wat je maar kunt bedenken. Na het vastleggen van de boot aan een mooring sprongen we gelijk met onze snorkelspullen in het water en we bleken toen in een gebied te liggen waar vele zeeschildpadden rondzwommen.

Die waren op de zeebodem  zeegras aan het grazen. De schildpadden waren bepaald niet schuw en sommigen zelfs nieuwsgierig zodat je de beesten soms zou kunnen aanraken.

De volgende dag hebben we op andere plekken gedoken waar we ook nog grote roggen tegenkwamen. Zeeschildpadden zijn indrukwekkend, maar de gefladder van de roggen was zeker zo indrukwekkend.

De eilandjes van de Tobago Cays zijn heel klein. Binnen 20 minuten ben je er om het grootste eiland heen gelopen. Overdag en ’s avonds is het er gezellig druk doordat er op het strand kleine restaurantjes zijn waar je de heerlijkste kreeft kunt eten. ’s Nachts a moet iedereen de eilandjes verlaten, de boatboys en restaurantmensen gaan met hun snelle boten terug naar Union Island om de volgende dag met boten vol met verse voorraden weer terug te komen naar de eilandjes.

Union Island

Na de Tobago Cays zijn we terug gevaren naar het nabijgelegen Union Island. Union Island bleek een kleurrijk maar arm en vooral armzalig eilandje te zijn. Prima om even in te klaren, wat boodschappen te doen en te wassen maar voor de rest niet heel bijzonder. Wel grappig was de kleine vliegtuigen die er landen en waarbij je de piloot in de ogen kunt kijken


Mayreau en Canouan

Mayreau is een klein koraaleilandje, maar de Salt Wistle Bay bleek op 12 februari weer een prima ankerbaai te zijn waar het aangenaam snorkelen was. Aangename verrassing was dat we tijdens het snorkelen op 6 meter diepte een tweetal geldbiljetten zagen liggen. Na een aantal malen goed ademhalen en diep duiken bleken we opeens 120 US dollar rijker te zijn.

De dag daarop zijn we ’s middags eerst even voor anker gegaan bij Rameau Bay op Canouan om daar te gaan snorkelen. De kust was daar wat rotsachtiger en de zee wat dieper dan de dagen daarvoor. Dat maakt het snorkelen spannender omdat je onder water dan tussen de rotsen en de koralen door kunt zwemmen.
s Avonds zijn we gaan ankeren voor het strand van een luxe resort. Na ons eerste cocktail in de bar van het resort bleek het happy hour te zijn begonnen, waardoor we, als echter Hollanders, ons niet konden beheersen en nog twee cocktails bestelden voor de prijs van een.

Mustique

In Canouan hadden we al luxe resorts te hebben gezien, maar in Mustique is qua luxe  een overtreffende trap. Mustique is helemaal ingericht voor de rich en famous van deze wereld. Het kleine eilandje van maar 5 km2 is privé eigendom van de Mustique Company. Alles is er keurig onderhouden, de straten zijn mooi aangelegd, de bermen zijn netjes gemaaid als een gazon en het meeste vervoer vind plaats met golfkarretjes. Het eilandje heeft uiteraard ook een klein vliegveldje waar alleen privé vliegtuigjes landen. Wij vonden het allemaal een beetje te veel aangeharkt.

Uiteraard hebben we nog in de beroemde Basil’s Bar nog gekeken of we Mick Jagger of leden van de Engelse Koninklijke familie tegen zouden komen, maar we hadden helaas geen “geluk”. Een luxe eiland trekt uiteraard ook  grote jachten aan. Vlak bij ons kwam het zeiljacht Panthalassa te liggen. Een prachtige tweemaster van 56 meter dat in de winter voor slechts US$ 200.000 per week te huur is in het Carieb. Dat bleek nog wel het instapprijsje te zijn. De kaptein en de stuurman zitten in de prijs, maar het bedienend personeel dat je op zo’n boot uiteraard nodig hebt moet je dan nog wel zelf regelen en betalen. Nadat ik dit soort idioterie uitgezocht had op het internet, werd ik extra gelukkig op mijn eigen bootje van 11,35m lang. Lekker knus en vooral rustig. Ik moet er niet aan denken dat er de hele dag personeel om me heen staat om te vragen of ik nog iets wil drinken. Bovendien voel je als eigenaar van een 56 meter zeilboot uiteraard toch weer een arme sloeber als je opeens naast een ander jacht komt te liggen welke net een meter langer blijkt te zijn.

St Vincent

16 februari zijn we van Canouan naar Blue Lagoon gevaren aan de Zuid kust van St Vincent. gevaren
Op weg naar Blue Lagoon vingen we onze tweede barracuda welke we opnieuw weg hebben gegeven aan een lokale boat boy. Alhoewel we aan een mooring lagen in Blue Lagoon mochten we ook gebruik maken van de faciliteiten van de lokale marina. Heerlijk om zelf weer eens onder een echte douche te staan en om de boot ook weer eens echt goed schoon te kunnen schrobben met heel veel zoet water.

De volgende dag hebben we een aantal dagen een auto gehuurd om het eiland te verkennen.  Eerst hebben we de West kant van het eiland verkent. We hebben daar een twee tal prachtige wandelingen gemaakt. Eerst langs een stukje regenwoud met  petroglyfische rotstekeningen van de oorspronkelijke bewoners van het eiland. Maar helemaal indrukwekkend was een wandeling van 1,5 uur over het Vermont Nature Trail.

 

 

Dit was een trail door een prachtig stuk regenwoud. Omdat we er aan het eind van de dag liepen werden de vogels ook weer actief waardoor we zelfs nog glimp een de zeldzame St Vincent papegaai hebben gezien.

De dag daarop moesten Sietse en ik ’s ochtends heel vroeg onze opstapper Wienke af te zetten bij het vliegveld, waarna Sietse en ik doorreden om nu de Oostkant van het eiland te verkennen. Via de prachtige Mesapotamia vallei kwamen we bij Montreal Gardens terecht. Er zijn botanische tuinen en hele mooie botanische tuinen. De Montral Gardens was echter de mooiste tuin die ik ooit gezien heb. Het bleek een privé tuin te zijn, welke waanzinnig goed onderhoud was en welke in februari al een prachtige bloemenzee was. Het vochtige tropische klimaat in de Mesapotamia vallei bleek een heel bijzonder gunstig micro klimaat op te leveren welke het realiseren van zo’n prachtige tuin mogelijk maakt.

Na als enige bezoekers al een uur te hebben rondgelopen in de tuinen kwamen we een tuinman tegen met totaal versleten kleren. Deze tuinman bleek echter de Engelse eigenaar van het tuincomplex te zijn dat hij 25 jaar geleden was gaan aanleggen en onderhouden. Heel, heel indrukwekkend!

Bequia

 

 

 

 

 

 

 

 

Omdat we opstapper Wienke op 17 februari moesten afzetten op St Vincent hadden we het eilandje Bequia moeten overslaan. Na 3 dagen St. Vincent zijn we weer terug naar het Zuiden gevaren om Bequia alsnog te bezoeken.Bequia bleek een walhalla voor zeiljachten te zijn. Het is gezellig druk in de enorme Admirality Bay. Aan land zijn er vele kleine winkeltjes en gezellige restaurantjes. Maar ook op het water was er veel  bedrijvig. Vele kleine bootjes tuften de hele dag door de baai om water of diesel te verkopen, maar ook om was op te halen, of om mensen naar land te brengen. Er voer voor de kust van Bequia ook een lokale fotograaf rond welke indrukwekkend mooie foto’s van de Atropos bleek te hebben gemaakt. Extra gezellig werd het toen we weer een groep Nederlandse zeilers tegenkwamen in de baai. Dat leverde spontane bootborrels etentjes op. Met tegenzin verlieten we Bequia na 6 nachten, we hadden er nog wel weken willen liggen.

St Vincent voor de tweede keer

24 Februari trokken we het anker op in Bequia en voeren naar Wallilabou Bay aan de Westkust van St Vincent. We wisten al dat we daar voor anker moesten gaan liggen terwijl de achterkant van de boot met een lange lijn aan een kokospalm  op land werd vastgemaakt. Door andere vertrekkers hadden ons al verteld over deze ankerwijze en dat we ook weer verplicht geholpen zouden worden bij het vastleggen van de achterlijn. Onze boat boy Iceman was dit keer bijzonder plezierig. Een tikkeltje brutaal nodigde hij ons uit om een biertje te komen drinken in het café van zijn broer. Omdat het warm was leek ons dat een prima idee waarop Iceman ons in zijn snelle motorboot liet stappen om ons 10 minuten later af te zetten in een louche café aan het strand van een arm vissersdorpje. Normaal zouden we daar nooit een biertje gaan drinken, maar Iceman vertelde ons dat we volkomen veilig waren omdat we zijn gast waren. Een paar biertjes verder werd ons door Iceman ook nog lokale wiet aangeboden, waarbij hij vertelde dat in St Vincent wiet voor het hele Caribische gebied werd gekweekt.  Hij nodigde ons darbij gelijk uit om de volgende dag samen met hem een aantal wietplantages te bezoeken. Nu zijn Sietse en ik geen grote drugsliefhebbers, dus dat aanbod hebben we maar beleefd afgeslagen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Walilabou Bay is een prachtige baai, waar veel opnames zijn gemaakt voor de eerste film van de Pirates of the Carabien. De nep galg en de nephuisjes van de filmsets tonden er nog steeds, evenals de lijkkisten waaruit in de film ’s nachts de geesten opstonden. Allemaal leuk om te zien. De volgende dag zijn we nog gaan snorkelen onder de rots die in de eerste shots van de film gelijk in beeld komt. Piraten hebben we er niet gezien, maar het snorkelen in glashelder water was heerlijk.

Afscheid

Per saldo konden we terugkijken op een aantal zeer plezierige weken in St Vincent en de Grenadines. Eigenlijk was het een aaneenschakelingen van hoogtepunten, waarbij ik echter droevig besefte dat het zo lastig bereikbaar is dat het niet waarschijnlijk is dat ik er ooit met een zeilboot terug zal komen

14. Tobago en Granada

Overtocht Suriname naar Tobago

Na bijna een maand in Suriname gelegen te hebben, was het 20 januari tijd om te vertrekken naar Tobago. Eerst was het de bedoeling ook naar Trinidad te gaan. Echter vanwege de nabijheid van het politiek onrustige Venezuela, besloten Sietse en ik Trinidad toch maar over te slaan.

De overtocht van 480 mijl naar Tobago ging heel prima. Een lekkere ruime wind en een stevige meegaande stroom zorgden voor een snelle overtocht in 3 dag.
Alleen de vele regenbuien, gepaard gaand met een stevige wind zorgde voor wat ongemak.  Overdag zie je deze buien uiteraard goed aankomen, maar ’s nachts bleek dat ook heel eenvoudig te gaan met de radar.

Op de radar kon je de buien al op 10 mijl afstand goed zien aankomen.

Charlotteville en Pirate Bay

Charlotteville is de tweede stad van Trinidad, maar eigenlijk is het geen stad te noemen, Eigenlijk is het een klein vissersdorpje met wat kerken, wat simpele restaurants en cafés, een klein ziekenhuisje, een visafslag, een grote bibliotheek (met uitstekende wifi!) en een mooi voetbalveld. Het mooiste van Charlotteville is echter de prachtige Pirate Bay met kristalhelder water van 27 graden warm en goudgele stranden. Voor het eerst was het een genot om te snorkelen, waarbij we ons vergaapten aan oneindige aantal kleurrijke vissen en prachtig, levend, koraal.

Opnieuw inklaren als een toeristische atractie

Op de dag van aankomst zijn we uiteraard gelijk bij Customs&Imigrations langs gegaan. De Immigration officer zat al langs de waterkant te wachten op een klein cruiseschip en verzocht ons om de volgende dag om 8 uur ons te melden. Sietse en ik stonden uiteraard rond 8:00 klaar, maar de Immigration man kwam pas 2 uur later aanzetten. Gelukkig hadden we toen al wel de formaliteiten van het inklaren van de boot bij Customs kunnen afronden (4 papieren volgeschreven). Om 10 uur konden we bij Immigration nog weer 6 formulieren (inclusief een carbon doordruk voor 2 kopieën) invullen. Daarna kregen we weer mooie stempels in onze paspoorten en prachtige, van veel stempels voorziene , inklaringformulieren voor de boot. We hadden in Suriname al geleerd om je hoogstens te verbazen over deze papierwereld, maar om je er vooral niet aan te irriteren.  Sterker nog we gaan dit steeds meer beschouwen als een toeristisch en leuk uitstapje. Dus vriendelijk en aardig blijven en veel lachen. Meestal blijkt dan na 10 minuten kletsen en papierwerk dat dit soort ambtenaren ook nog gewoon aardige mensen zijn met wie je oprecht veel plezier kunt maken.

Intermezzo: Ankeren met de dinghy

In Pirate Bay maakten we voor het eerst ook gebruik van een tot dan toe onbekend fenomeen: het mini ankertje voor de rubberboot. Je kunt als je naar het stadje gaat, veelal de dinghy prima aan te leggen aan het dinghy dock, maar als je naar het strand ging van Pirate Bay,  dan was daar soms zoveel golfslag dat je bijna zeker over de kop zou gaan met de rubberboot.

Beter is het dan om vanuit de rubberboot tien meter voor het strand een klein ankertje uit te gooien met daaraan een stuk ketting en een lijn van 5 meter. Als je geluk hebt kun je net staan als je over boord stapt. Maar als het vloed wordt, dan is het een kwestie van naar de kant zwemmen met alles wat je nodig hebt achter je aan slepend in een waterdichte zak. Het ankertje bleek vaak ook handig te zijn als je met de rubberboot een stukje moest varen om een goede snorkelplek op te zoeken. Uiteraard moet je dan wel voorzichtig zijn met het ankeren, je wilt (en mag) immers geen koraal beschadigen.

Vogels

Vanuit ons strandje bij Pirate Bay zijn Sietse en ik het regenwoud ingelopen. We keken daarbij onze ogen uit. De vele prachtige bloemen in de bomen waren al bijzonder, maar nog mooier waren de vogels die langs vlogen. We zijn beiden geen vogelaars, maar de vogels waren zo mooi en kleurrijk dat we vanzelf vogelaars werden.

 

 

Los van de vogels in het regenwoud keken we ook de hele dag naar de sierlijk rondvliegende fregatvogels en naar de pelikanen. Deze lieten zich frequent vanuit de lucht in het water vallen in de hoop vis te vangen.

Schildpadden

Bij een lokaal restaurantje waren we een man tegen gekomen die werkte voor de lokale stichting NEST, welke zich bezig houd met het beschermen van zeeschildpadden. Als een soort van fundraising voor zijn stichting nodigde hij ons uit om, tegen een bescheiden vergoeding, mee te gaan naar een klein strandje in de buurt van Charlotteville. Zijn taak was om zoveel mogelijk jonge, net geboren schildpadjes veilig in het water te laten lopen. Onze tocht samen met de man van NEST werd een bijzondere gebeurtenis. Vanuit een aantal eiernesten bleken de nacht ervoor vele jonge schildpadjes al naar het zand te zijn gekropen. Maar er bleken nog een aantal achterblijvertjes te zijn die net uit het ei waren gekropen. Deze hebben we in hun eerste tocht naar de zee “beschermd” , zodat ze niet direct al opgegeten zouden worden door een van vele rondvliegende fregatvogels. Normaal wordt maar een van de 1000 jonge schildpadden volwassen, ik hoop dat wij dat gemiddelde die dag iets hebben kunnen verhogen.

Overtocht naar Granada.

Het was eerst onze bedoeling om nog een aantal andere baaien in Tobago te bezoeken. Maar het beviel ons zo goed in Charlotteville dat we er een week gelegen hebben, om daarna op 30 januari over te steken naar Granada. De overtocht was 80 mijl lang en bij een gemiddelde snelheid van 5 mijl per uur wisten we dat je er dan verstandig aan doet om het eind van de middag het anker op te halen om dan na een nacht doorzeilen. ‘s Ochtends kwamen we daardoor bij daglicht aan in Granada. Dat is wel zo fijn omdat het dan iets eenvoudiger is om langs alle ondiepten en koraalbanken te varen richting de kleine marina van Le Phare Blue. De marina bleek bij een luxe resort te horen. Het was wel een cultuurschok om na twee maanden op zee, in Suriname en in Tobago te zijn geweest,  opeens aangekomen te zijn in een wereld die speciaal gecreëerd is voor verwende Westerse toeristen.

Toen we na aankomst in Le Phare Blue contact zochten met het huisfront bleek dat het in Nederland beestenweer was met vorst en sneeuw.

Dan was het weer in korte broek op Granada toch wel wat plezieriger.

Vanuit de marina hebben we een auto gehuurd om Wienke, onze nieuwe opstapper, op te halen en om ook het eiland een beetje te verkennen. Na de prachtige natuur van Tobago bleek het achterland van Granada helaas een beetje tegen te vallen. Niet dat het lelijk was, maar het maakte niet zo’n overrompelende indruk als Tobago. Het enige wat we zeer waarderen was een ontmoeting met een half wilde aap bij de “Grand Lac”

Rust op Charriacou

Op 5 februari namen we afscheid van het eiland Granada en zijn we doorgevaren naar Charriacou het eerste koraaleiland van een lange reeks die we zouden bezoeken. Het was weer een heerlijke ervaring om met je blote voeten langs de waterlijn te lopen door glashelder water en over een knal wit zandstrand. Dat er daarnaast nog prachtige kokospalmen langs het strand stonden, spreekt dan bijna voor zich.

Terwijl we voor anker lagen kwamen er een aantal bootjes met boat boys voorbij die ons verse vis en kreeft aanboden. Maar helaas is het niet mogelijk om kreeft aan boord klaar te maken, dus hebben we dat maar gegeten in het fantastische strandrestaurant The Lazy Turtle.

Intermezzo: ongewenste hulp van lokale boat boys

In Charriacou maakten we voor het eerst kennis met de lokale boat boys. Vaak al meer dan een mijl van de beoogde ankerplek of de mooring komt er een man in een motorboot met een dikke buitenboordmotor aangespoten om je te “helpen” met het vinden van een ankerplek of het aanleggen aan een mooring. Na meer dan een halfjaar varen kunnen we dat zelfstandig best al wel heel goed zelf, maar vanaf Charriacou werden de boat boys steeds assertiever en agressiever in hun benadering , waardoor het eigenlijk niet mogelijk is om zelf te ankeren of een mooring op te pikken. Op zich is het natuurlijk niet heel erg erg om de lokale economie een beetje op te peppen door voor hun (ongewenste) dienst (omgerekend) Euro 2-3 te betalen, maar naast ongewenste ankerhulp kwamen de boat boys vaak ook vis, kreeft en kraaltjes verkopen voor veel te hoge prijzen. Ook maanden de boat boys ons aan om naar een bar, restaurant of taxi van een broer, moeder of neef te gaan. In St Lucia werden deze mannen zelfs zo vervelend, dat we daardoor aan het hele land St Lucia een vervelende smaak overhielden.

Sandy Island, een echte idylle

Vanuit Teryll Bay zijn we 7 februari naar het laatste eiland van de republiek Granada gevaren: Sandy Island. Dit is een heel klein onbewoond eiland van 50 meter breed en een paar honderd meter lang.

Het eiland bestaat alleen uit een small strook helder wit strand, een paar palmbomen en het wordt omgeven door glashelder water. Omdat er onder water de meest fantastische koraal groeide, hebben we, nadat we een mooring hadden opgepikt, gelijk de zwembrillen opgedaan en het water ingesprongen. Het onderwaterleven van Charlotteville was bijna bizar mooi, vooral dankzij de prachtigste koralen. Ik ben er nu al van overtuigd dat de middag en de nacht die we op Sandy Island hebben gelegen een van de absolute hoogtepunten van de reis zal gaan worden.