15. St. Vincent en de Grenadines

 

 

 

 

 

 

Ik wist van te voren al dat het zeilen in de Grenadines een van de absolute hoogtepunten zou worden van de reis. Deze veronderstelling bleek geheel juist te zijn. De Grenadines zijn allemaal kleine koraaleilanden met hagelwitte stranden en helder zeewater in alle kleuren blauw.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In het hele gebied blaast constant een Oosten wind van ca. 20 knopen. Bijna alle dagen konden we weinig motoren en lekker veel zeilen in een lekker stevig briesje. Met een beetje gereefde zeilen was het zeilen op zich al fantastisch

Alle kleine eilandjes van de Grenadines vormen een republiek samen met het grotere eiland St. Vincent. Van te voren had ik wat nare verhalen over St Vincent gehoord, maar eigenlijk hebben we alleen maar hele mooie dingen beleefd en gezien op St. Vincent.

Tobago Cays

We begonnen 8 februari 2019 gelijk met het hoogtepunt. Na een dag heerlijk zeilen, kwamen opstapper Wienke,  zoon Sietse en ik aan op Tobago Cays.  Dit zijn een aantal hele kleine onbewoonde koraaleilandjes welke helemaal beschut liggen achter een hoefvormig rif welke alle oceaan deining tegenhoudt.

Omdat de Tobago Cays in z’n geheel een beschermd natuurgebied zijn, is er geen marina, en je mag er ook geen anker uit gooien omdat je dan de koralen en de zandbodem zou kunnen beschadigen. Gelukkig liggen er genoeg moorings waar je je boot aan vast kunt leggen in het helderste water wat je maar kunt bedenken. Na het vastleggen van de boot aan een mooring sprongen we gelijk met onze snorkelspullen in het water en we bleken toen in een gebied te liggen waar vele zeeschildpadden rondzwommen.

Die waren op de zeebodem  zeegras aan het grazen. De schildpadden waren bepaald niet schuw en sommigen zelfs nieuwsgierig zodat je de beesten soms zou kunnen aanraken.

De volgende dag hebben we op andere plekken gedoken waar we ook nog grote roggen tegenkwamen. Zeeschildpadden zijn indrukwekkend, maar de gefladder van de roggen was zeker zo indrukwekkend.

De eilandjes van de Tobago Cays zijn heel klein. Binnen 20 minuten ben je er om het grootste eiland heen gelopen. Overdag en ’s avonds is het er gezellig druk doordat er op het strand kleine restaurantjes zijn waar je de heerlijkste kreeft kunt eten. ’s Nachts a moet iedereen de eilandjes verlaten, de boatboys en restaurantmensen gaan met hun snelle boten terug naar Union Island om de volgende dag met boten vol met verse voorraden weer terug te komen naar de eilandjes.

Union Island

Na de Tobago Cays zijn we terug gevaren naar het nabijgelegen Union Island. Union Island bleek een kleurrijk maar arm en vooral armzalig eilandje te zijn. Prima om even in te klaren, wat boodschappen te doen en te wassen maar voor de rest niet heel bijzonder. Wel grappig was de kleine vliegtuigen die er landen en waarbij je de piloot in de ogen kunt kijken


Mayreau en Canouan

Mayreau is een klein koraaleilandje, maar de Salt Wistle Bay bleek op 12 februari weer een prima ankerbaai te zijn waar het aangenaam snorkelen was. Aangename verrassing was dat we tijdens het snorkelen op 6 meter diepte een tweetal geldbiljetten zagen liggen. Na een aantal malen goed ademhalen en diep duiken bleken we opeens 120 US dollar rijker te zijn.

De dag daarop zijn we ’s middags eerst even voor anker gegaan bij Rameau Bay op Canouan om daar te gaan snorkelen. De kust was daar wat rotsachtiger en de zee wat dieper dan de dagen daarvoor. Dat maakt het snorkelen spannender omdat je onder water dan tussen de rotsen en de koralen door kunt zwemmen.
s Avonds zijn we gaan ankeren voor het strand van een luxe resort. Na ons eerste cocktail in de bar van het resort bleek het happy hour te zijn begonnen, waardoor we, als echter Hollanders, ons niet konden beheersen en nog twee cocktails bestelden voor de prijs van een.

Mustique

In Canouan hadden we al luxe resorts te hebben gezien, maar in Mustique is qua luxe  een overtreffende trap. Mustique is helemaal ingericht voor de rich en famous van deze wereld. Het kleine eilandje van maar 5 km2 is privé eigendom van de Mustique Company. Alles is er keurig onderhouden, de straten zijn mooi aangelegd, de bermen zijn netjes gemaaid als een gazon en het meeste vervoer vind plaats met golfkarretjes. Het eilandje heeft uiteraard ook een klein vliegveldje waar alleen privé vliegtuigjes landen. Wij vonden het allemaal een beetje te veel aangeharkt.

Uiteraard hebben we nog in de beroemde Basil’s Bar nog gekeken of we Mick Jagger of leden van de Engelse Koninklijke familie tegen zouden komen, maar we hadden helaas geen “geluk”. Een luxe eiland trekt uiteraard ook  grote jachten aan. Vlak bij ons kwam het zeiljacht Panthalassa te liggen. Een prachtige tweemaster van 56 meter dat in de winter voor slechts US$ 200.000 per week te huur is in het Carieb. Dat bleek nog wel het instapprijsje te zijn. De kaptein en de stuurman zitten in de prijs, maar het bedienend personeel dat je op zo’n boot uiteraard nodig hebt moet je dan nog wel zelf regelen en betalen. Nadat ik dit soort idioterie uitgezocht had op het internet, werd ik extra gelukkig op mijn eigen bootje van 11,35m lang. Lekker knus en vooral rustig. Ik moet er niet aan denken dat er de hele dag personeel om me heen staat om te vragen of ik nog iets wil drinken. Bovendien voel je als eigenaar van een 56 meter zeilboot uiteraard toch weer een arme sloeber als je opeens naast een ander jacht komt te liggen welke net een meter langer blijkt te zijn.

St Vincent

16 februari zijn we van Canouan naar Blue Lagoon gevaren aan de Zuid kust van St Vincent. gevaren
Op weg naar Blue Lagoon vingen we onze tweede barracuda welke we opnieuw weg hebben gegeven aan een lokale boat boy. Alhoewel we aan een mooring lagen in Blue Lagoon mochten we ook gebruik maken van de faciliteiten van de lokale marina. Heerlijk om zelf weer eens onder een echte douche te staan en om de boot ook weer eens echt goed schoon te kunnen schrobben met heel veel zoet water.

De volgende dag hebben we een aantal dagen een auto gehuurd om het eiland te verkennen.  Eerst hebben we de West kant van het eiland verkent. We hebben daar een twee tal prachtige wandelingen gemaakt. Eerst langs een stukje regenwoud met  petroglyfische rotstekeningen van de oorspronkelijke bewoners van het eiland. Maar helemaal indrukwekkend was een wandeling van 1,5 uur over het Vermont Nature Trail.

 

 

Dit was een trail door een prachtig stuk regenwoud. Omdat we er aan het eind van de dag liepen werden de vogels ook weer actief waardoor we zelfs nog glimp een de zeldzame St Vincent papegaai hebben gezien.

De dag daarop moesten Sietse en ik ’s ochtends heel vroeg onze opstapper Wienke af te zetten bij het vliegveld, waarna Sietse en ik doorreden om nu de Oostkant van het eiland te verkennen. Via de prachtige Mesapotamia vallei kwamen we bij Montreal Gardens terecht. Er zijn botanische tuinen en hele mooie botanische tuinen. De Montral Gardens was echter de mooiste tuin die ik ooit gezien heb. Het bleek een privé tuin te zijn, welke waanzinnig goed onderhoud was en welke in februari al een prachtige bloemenzee was. Het vochtige tropische klimaat in de Mesapotamia vallei bleek een heel bijzonder gunstig micro klimaat op te leveren welke het realiseren van zo’n prachtige tuin mogelijk maakt.

Na als enige bezoekers al een uur te hebben rondgelopen in de tuinen kwamen we een tuinman tegen met totaal versleten kleren. Deze tuinman bleek echter de Engelse eigenaar van het tuincomplex te zijn dat hij 25 jaar geleden was gaan aanleggen en onderhouden. Heel, heel indrukwekkend!

Bequia

 

 

 

 

 

 

 

 

Omdat we opstapper Wienke op 17 februari moesten afzetten op St Vincent hadden we het eilandje Bequia moeten overslaan. Na 3 dagen St. Vincent zijn we weer terug naar het Zuiden gevaren om Bequia alsnog te bezoeken.Bequia bleek een walhalla voor zeiljachten te zijn. Het is gezellig druk in de enorme Admirality Bay. Aan land zijn er vele kleine winkeltjes en gezellige restaurantjes. Maar ook op het water was er veel  bedrijvig. Vele kleine bootjes tuften de hele dag door de baai om water of diesel te verkopen, maar ook om was op te halen, of om mensen naar land te brengen. Er voer voor de kust van Bequia ook een lokale fotograaf rond welke indrukwekkend mooie foto’s van de Atropos bleek te hebben gemaakt. Extra gezellig werd het toen we weer een groep Nederlandse zeilers tegenkwamen in de baai. Dat leverde spontane bootborrels etentjes op. Met tegenzin verlieten we Bequia na 6 nachten, we hadden er nog wel weken willen liggen.

St Vincent voor de tweede keer

24 Februari trokken we het anker op in Bequia en voeren naar Wallilabou Bay aan de Westkust van St Vincent. We wisten al dat we daar voor anker moesten gaan liggen terwijl de achterkant van de boot met een lange lijn aan een kokospalm  op land werd vastgemaakt. Door andere vertrekkers hadden ons al verteld over deze ankerwijze en dat we ook weer verplicht geholpen zouden worden bij het vastleggen van de achterlijn. Onze boat boy Iceman was dit keer bijzonder plezierig. Een tikkeltje brutaal nodigde hij ons uit om een biertje te komen drinken in het café van zijn broer. Omdat het warm was leek ons dat een prima idee waarop Iceman ons in zijn snelle motorboot liet stappen om ons 10 minuten later af te zetten in een louche café aan het strand van een arm vissersdorpje. Normaal zouden we daar nooit een biertje gaan drinken, maar Iceman vertelde ons dat we volkomen veilig waren omdat we zijn gast waren. Een paar biertjes verder werd ons door Iceman ook nog lokale wiet aangeboden, waarbij hij vertelde dat in St Vincent wiet voor het hele Caribische gebied werd gekweekt.  Hij nodigde ons darbij gelijk uit om de volgende dag samen met hem een aantal wietplantages te bezoeken. Nu zijn Sietse en ik geen grote drugsliefhebbers, dus dat aanbod hebben we maar beleefd afgeslagen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Walilabou Bay is een prachtige baai, waar veel opnames zijn gemaakt voor de eerste film van de Pirates of the Carabien. De nep galg en de nephuisjes van de filmsets tonden er nog steeds, evenals de lijkkisten waaruit in de film ’s nachts de geesten opstonden. Allemaal leuk om te zien. De volgende dag zijn we nog gaan snorkelen onder de rots die in de eerste shots van de film gelijk in beeld komt. Piraten hebben we er niet gezien, maar het snorkelen in glashelder water was heerlijk.

Afscheid

Per saldo konden we terugkijken op een aantal zeer plezierige weken in St Vincent en de Grenadines. Eigenlijk was het een aaneenschakelingen van hoogtepunten, waarbij ik echter droevig besefte dat het zo lastig bereikbaar is dat het niet waarschijnlijk is dat ik er ooit met een zeilboot terug zal komen

14. Tobago en Granada

Overtocht Suriname naar Tobago

Na bijna een maand in Suriname gelegen te hebben, was het 20 januari tijd om te vertrekken naar Tobago. Eerst was het de bedoeling ook naar Trinidad te gaan. Echter vanwege de nabijheid van het politiek onrustige Venezuela, besloten Sietse en ik Trinidad toch maar over te slaan.

De overtocht van 480 mijl naar Tobago ging heel prima. Een lekkere ruime wind en een stevige meegaande stroom zorgden voor een snelle overtocht in 3 dag.
Alleen de vele regenbuien, gepaard gaand met een stevige wind zorgde voor wat ongemak.  Overdag zie je deze buien uiteraard goed aankomen, maar ’s nachts bleek dat ook heel eenvoudig te gaan met de radar.

Op de radar kon je de buien al op 10 mijl afstand goed zien aankomen.

Charlotteville en Pirate Bay

Charlotteville is de tweede stad van Trinidad, maar eigenlijk is het geen stad te noemen, Eigenlijk is het een klein vissersdorpje met wat kerken, wat simpele restaurants en cafés, een klein ziekenhuisje, een visafslag, een grote bibliotheek (met uitstekende wifi!) en een mooi voetbalveld. Het mooiste van Charlotteville is echter de prachtige Pirate Bay met kristalhelder water van 27 graden warm en goudgele stranden. Voor het eerst was het een genot om te snorkelen, waarbij we ons vergaapten aan oneindige aantal kleurrijke vissen en prachtig, levend, koraal.

Opnieuw inklaren als een toeristische atractie

Op de dag van aankomst zijn we uiteraard gelijk bij Customs&Imigrations langs gegaan. De Immigration officer zat al langs de waterkant te wachten op een klein cruiseschip en verzocht ons om de volgende dag om 8 uur ons te melden. Sietse en ik stonden uiteraard rond 8:00 klaar, maar de Immigration man kwam pas 2 uur later aanzetten. Gelukkig hadden we toen al wel de formaliteiten van het inklaren van de boot bij Customs kunnen afronden (4 papieren volgeschreven). Om 10 uur konden we bij Immigration nog weer 6 formulieren (inclusief een carbon doordruk voor 2 kopieën) invullen. Daarna kregen we weer mooie stempels in onze paspoorten en prachtige, van veel stempels voorziene , inklaringformulieren voor de boot. We hadden in Suriname al geleerd om je hoogstens te verbazen over deze papierwereld, maar om je er vooral niet aan te irriteren.  Sterker nog we gaan dit steeds meer beschouwen als een toeristisch en leuk uitstapje. Dus vriendelijk en aardig blijven en veel lachen. Meestal blijkt dan na 10 minuten kletsen en papierwerk dat dit soort ambtenaren ook nog gewoon aardige mensen zijn met wie je oprecht veel plezier kunt maken.

Intermezzo: Ankeren met de dinghy

In Pirate Bay maakten we voor het eerst ook gebruik van een tot dan toe onbekend fenomeen: het mini ankertje voor de rubberboot. Je kunt als je naar het stadje gaat, veelal de dinghy prima aan te leggen aan het dinghy dock, maar als je naar het strand ging van Pirate Bay,  dan was daar soms zoveel golfslag dat je bijna zeker over de kop zou gaan met de rubberboot.

Beter is het dan om vanuit de rubberboot tien meter voor het strand een klein ankertje uit te gooien met daaraan een stuk ketting en een lijn van 5 meter. Als je geluk hebt kun je net staan als je over boord stapt. Maar als het vloed wordt, dan is het een kwestie van naar de kant zwemmen met alles wat je nodig hebt achter je aan slepend in een waterdichte zak. Het ankertje bleek vaak ook handig te zijn als je met de rubberboot een stukje moest varen om een goede snorkelplek op te zoeken. Uiteraard moet je dan wel voorzichtig zijn met het ankeren, je wilt (en mag) immers geen koraal beschadigen.

Vogels

Vanuit ons strandje bij Pirate Bay zijn Sietse en ik het regenwoud ingelopen. We keken daarbij onze ogen uit. De vele prachtige bloemen in de bomen waren al bijzonder, maar nog mooier waren de vogels die langs vlogen. We zijn beiden geen vogelaars, maar de vogels waren zo mooi en kleurrijk dat we vanzelf vogelaars werden.

 

 

Los van de vogels in het regenwoud keken we ook de hele dag naar de sierlijk rondvliegende fregatvogels en naar de pelikanen. Deze lieten zich frequent vanuit de lucht in het water vallen in de hoop vis te vangen.

Schildpadden

Bij een lokaal restaurantje waren we een man tegen gekomen die werkte voor de lokale stichting NEST, welke zich bezig houd met het beschermen van zeeschildpadden. Als een soort van fundraising voor zijn stichting nodigde hij ons uit om, tegen een bescheiden vergoeding, mee te gaan naar een klein strandje in de buurt van Charlotteville. Zijn taak was om zoveel mogelijk jonge, net geboren schildpadjes veilig in het water te laten lopen. Onze tocht samen met de man van NEST werd een bijzondere gebeurtenis. Vanuit een aantal eiernesten bleken de nacht ervoor vele jonge schildpadjes al naar het zand te zijn gekropen. Maar er bleken nog een aantal achterblijvertjes te zijn die net uit het ei waren gekropen. Deze hebben we in hun eerste tocht naar de zee “beschermd” , zodat ze niet direct al opgegeten zouden worden door een van vele rondvliegende fregatvogels. Normaal wordt maar een van de 1000 jonge schildpadden volwassen, ik hoop dat wij dat gemiddelde die dag iets hebben kunnen verhogen.

Overtocht naar Granada.

Het was eerst onze bedoeling om nog een aantal andere baaien in Tobago te bezoeken. Maar het beviel ons zo goed in Charlotteville dat we er een week gelegen hebben, om daarna op 30 januari over te steken naar Granada. De overtocht was 80 mijl lang en bij een gemiddelde snelheid van 5 mijl per uur wisten we dat je er dan verstandig aan doet om het eind van de middag het anker op te halen om dan na een nacht doorzeilen. ‘s Ochtends kwamen we daardoor bij daglicht aan in Granada. Dat is wel zo fijn omdat het dan iets eenvoudiger is om langs alle ondiepten en koraalbanken te varen richting de kleine marina van Le Phare Blue. De marina bleek bij een luxe resort te horen. Het was wel een cultuurschok om na twee maanden op zee, in Suriname en in Tobago te zijn geweest,  opeens aangekomen te zijn in een wereld die speciaal gecreëerd is voor verwende Westerse toeristen.

Toen we na aankomst in Le Phare Blue contact zochten met het huisfront bleek dat het in Nederland beestenweer was met vorst en sneeuw.

Dan was het weer in korte broek op Granada toch wel wat plezieriger.

Vanuit de marina hebben we een auto gehuurd om Wienke, onze nieuwe opstapper, op te halen en om ook het eiland een beetje te verkennen. Na de prachtige natuur van Tobago bleek het achterland van Granada helaas een beetje tegen te vallen. Niet dat het lelijk was, maar het maakte niet zo’n overrompelende indruk als Tobago. Het enige wat we zeer waarderen was een ontmoeting met een half wilde aap bij de “Grand Lac”

Rust op Charriacou

Op 5 februari namen we afscheid van het eiland Granada en zijn we doorgevaren naar Charriacou het eerste koraaleiland van een lange reeks die we zouden bezoeken. Het was weer een heerlijke ervaring om met je blote voeten langs de waterlijn te lopen door glashelder water en over een knal wit zandstrand. Dat er daarnaast nog prachtige kokospalmen langs het strand stonden, spreekt dan bijna voor zich.

Terwijl we voor anker lagen kwamen er een aantal bootjes met boat boys voorbij die ons verse vis en kreeft aanboden. Maar helaas is het niet mogelijk om kreeft aan boord klaar te maken, dus hebben we dat maar gegeten in het fantastische strandrestaurant The Lazy Turtle.

Intermezzo: ongewenste hulp van lokale boat boys

In Charriacou maakten we voor het eerst kennis met de lokale boat boys. Vaak al meer dan een mijl van de beoogde ankerplek of de mooring komt er een man in een motorboot met een dikke buitenboordmotor aangespoten om je te “helpen” met het vinden van een ankerplek of het aanleggen aan een mooring. Na meer dan een halfjaar varen kunnen we dat zelfstandig best al wel heel goed zelf, maar vanaf Charriacou werden de boat boys steeds assertiever en agressiever in hun benadering , waardoor het eigenlijk niet mogelijk is om zelf te ankeren of een mooring op te pikken. Op zich is het natuurlijk niet heel erg erg om de lokale economie een beetje op te peppen door voor hun (ongewenste) dienst (omgerekend) Euro 2-3 te betalen, maar naast ongewenste ankerhulp kwamen de boat boys vaak ook vis, kreeft en kraaltjes verkopen voor veel te hoge prijzen. Ook maanden de boat boys ons aan om naar een bar, restaurant of taxi van een broer, moeder of neef te gaan. In St Lucia werden deze mannen zelfs zo vervelend, dat we daardoor aan het hele land St Lucia een vervelende smaak overhielden.

Sandy Island, een echte idylle

Vanuit Teryll Bay zijn we 7 februari naar het laatste eiland van de republiek Granada gevaren: Sandy Island. Dit is een heel klein onbewoond eiland van 50 meter breed en een paar honderd meter lang.

Het eiland bestaat alleen uit een small strook helder wit strand, een paar palmbomen en het wordt omgeven door glashelder water. Omdat er onder water de meest fantastische koraal groeide, hebben we, nadat we een mooring hadden opgepikt, gelijk de zwembrillen opgedaan en het water ingesprongen. Het onderwaterleven van Charlotteville was bijna bizar mooi, vooral dankzij de prachtigste koralen. Ik ben er nu al van overtuigd dat de middag en de nacht die we op Sandy Island hebben gelegen een van de absolute hoogtepunten van de reis zal gaan worden.

13. Suriname

Rond de jaarwisseling zijn we een aantal weken in Suriname geweest. Het is lastig te omschrijven wat er zo heel erg leuk was aan Suriname. Een aantal mindere aantrekkelijk zaken zijn gemakkelijk te benoemen. Het land is arm, het is er rommelig, alle gebouwen en wegen zijn slecht onderhouden en het is er heel warm en klam vochtig. Maar er zijn ook zoveel leuke dingen te schrijven over het land. Het belangrijkste is wel dat we alleen maar fijne, aardige mensen zijn tegengekomen die graag een praatje maakten, die wat voor je wilden doen, en die er voor zorgden dat we ons altijd blij en veilig hebben gevoeld in het land. Ook het tropisch regenwoud maakte een enorme indruk ons.

Aankomst

Na een overtocht van 17 dagen kwamen Sietse, David en ik 18 december vroeg aan bij de ingang van de Surinamerivier. Je merkte al op tientallen mijlen afstand van Suriname dat we dichterbij land kwamen omdat het zeewater al modderig bruin werd. Dit omdat de Suriname Rivier heel veel zand en modder afvoert uit de binnenlanden.

Wat we bij het opvaren van de Suriname Rivier ook zagen waren twee zaken. Allereerst bleken we langs de goudkust van Suriname te varen met hele grote woonhuizen voor de happy few van Suriname. Daarnaast voeren we langs heel veel kleine en grote vissersboten, die allemaal een ding gemeen hadden: ze waren oud, roestig en slecht onderhouden.

Na een uurtje op de rivier te hebben gevaren kwamen we bij Paramaribo en voeren we langs Fort Zeelandia met het mooie beeld van een jonge koningin Wilhelmina en langs het  Onafhankelijkheidsplein met het Presidentieel paleis. Nadat we ook langs de haven en onder de hoge verkeerbrug over de Suriname Rivier zijn doorgevaren, wordt het landschap gelijk veel groener.

Marina Waterland bij Domburg

Een uurtje na Paramaribo nader je het stadje Domburg met een kleine jachthaven met een aantal moorings.                          Wij hadden echter niet voor  deze Marina Domburg gekozen, maar voor Marina Waterland. Dat was weer een uurtje verder varen. Uiteindelijk stonden we om 14:00u  met een ankerbiertje in de hand  eindelijk weer op de kade.

Marina Waterland is de enige jachthaven in Suriname met een stevige steiger en 12 ligplaatsen. Onze eerste avond daar kwamen we de bemanning van de Hera ook weer tegen in het restaurant van de marina. Het was weer heerlijk om gewoon met hen te kletsen en niet alleen maar via de marifoon. Na een paar dagen in de boot te hebben geslapen konden we de door ons gehuurde villa op het terrein van Marina Waterland in en toen werd het leven een stuk aangenamer.

Via het verhuurbedrijf  van Richie konden we goedkoop een auto huren. Alhoewel de door ons gehuurde Toyota Rav4 al 21 jaar oud was, heeft hij ons prima half Suriname rondgereden en dat voor de enorme som van (omgerekend) Eur 13 per dag.

In de bomen aan het strand woonden ook een aantal luiaards. Prachtig beesten om te zien, die steeds met een slome gang door de bomen lopen.

 

Formaliteiten

Als je met een boot een nieuw land invaart dan zijn er altijd een aantal formaliteiten te vervullen. In de meeste landen moet je je dan bij de bureaus voor Customs en Immigration melden om de boot in te klaren en om zelf een visumstempel te krijgen in je paspoort. Meestal liggen de gebouwen voor de dienst van Customs en Immigration naast elkaar. De mensen van Waterland Marina vertelden ons dat de formaliteiten in Suriname nogal complex zijn en dat we vier instanties langs moesten, die ook allemaal nog op verschillende plekken in Paramaribo gehuisvest zijn. We kregen het advies om met een taxi naar Paramaribo te gaan en dat onze taxichauffeur Jimmy precies wist waar we in de stad in de rij moesten gaan staan.  Nadat we ook bij de laatste instantie, de Militaire Politie, een visumstempel in ons paspoort hadden gekregen kregen we van de man van de Militaire Politie een vette glimlach, een stevige handdruk en vervolgens heette hij ons van harte “legaal welkom” in Suriname. Met zo’n warm welkom was mijn hele dag weer goed!

Vervallen binnenstad

De binnenstad van Paramaribo staat helemaal vol met oude monumentale gebouwen. Veelal een rode stenen kelderverdieping, met daarboven een houten, wit geschilderde opbouw van 2-3 verdiepingen. De binnenstad staat met zijn vele monumenten terecht op de Unesco Wereld Erfgoed lijst. Deze monumenten hebben uiteraard veel onderhoud nodig, maar de verwaarloosde staat van de meeste monumentale gebouwen maakte duidelijk dat daar te weinig geld voor is in het arme Suriname. Zelfs gebouwen van het Ministerie van Volkshuisvesting  vielen bijna van ellende uit elkaar.

Eten en drinken

Als je  rondrijdt in Suriname valt direct op dat in elke straat wel een grote loods staat met daarin een supermarkt of een bouwmarkt.
Al deze winkels waren zonder uitzondering eigendom van een Chinese familie. Het was met onze Hollandse smaak redelijk goed mogelijk om in deze Chinese de meeste boodschappen te doen. Dit  was vaak extra makkelijk en herkenbaar omdat al deze Chinese winkels kennelijk partijen levensmiddelen in Nederland hebben opgekocht. Zo stonden de AH pindakaas in het schap naast aardbeienjam van de Jumbo. Het enige wat ons steeds tegen viel in deze Chinese winkels was de onverschilligheid en onbeleefdheid van het (Chinese) personeel. Dit was heel anders dan we van andere Surinamers gewend waren.

Een van de producten die we leerden te waarderen was het lokale Parbo bier. Dat smaakte heerlijk en altijd naar meer. Parbo bier kon je in normale blikjes kopen, maar nog populairder waren de 1 liter flessen Parbo. Al snel leerden we dat je die literfles kreeg als je een “djogo” bestelde.  Overigens was het nooit de bedoeling om die in je eentje op te drinken, een djogo deel je met je vrienden.

Oudjaarsfeest en de Nieuwjaarsduik

Van de medewerkers van Marina Waterland kregen we de tip dat het leukste feest van het jaar in Suriname Oudejaarsdag is. Dan zou half Suriname feest gaan vieren in en rond Domineestraat in Paramaribo.

We waren er toen al achter gekomen dat Domineestraat de grote winkelstraat is van Paramaribo. We besloten daarom met de opvarenden van een groep Nederlandse zeilboten met een taxi korjaal van Domburg naar Paramaribo te varen. Aangekomen bij het begin van de Domineestraat kwamen we in het “Chinese” deel van de straat. Dat betekende oren dicht houden om niet doof te worden van de honderdduizend knallers. Midden op Domineestraat kwamen we in het Hindoestaanse deel. Dat betekende dat auto’s met open achterklep hun best deden in een “audio battle”. De auto’s waren daarvoor helemaal volgestouwd met versterkers en geluidboxen. De hindoestaanse audio battle-ers deden hun uiterste best om onze trommelvliezen te laten scheuren. Dat lukte gelukkig net niet, maar de pijngrens was toen al wel ruim gepasseerd. Aan het eind van de Domineestraat kwamen we in de Creoolse buurt. Dat stond voor diverse live bands, ieder met opzwepende muziek. Het geheel had een soort ontspannen Koningsdag sfeertje. Dat ontspannen sfeertje werd nog versterkt door het prachtige weer en door de vele eet- en drankposten waar saté, roti en heel veel Parbo bier besteld kon worden. In Nederland ontstaat er met Oudjaar wel eens rottigheid, maar het Oudjaarsfeest in Paramaribo staat er om bekend dat er nooit narigheid is ontstaan. 

Vanuit Marina Waterland werd ook een Nieuwjaarsduik georganiseerd. Er kwamen niet alleen mensen vanuit de Marina, maar heel Domburg was uitgenodigd. In Nederland staat de Nieuwjaarsduik voor afzien, Unox mutsen en erwtensoep. In Suriname waren de Unox mutsen ook voorhanden, maar het was bepaald geen afzien in een buitenlucht van 28 graden en een watertemperatuur van 26 graden.

Museum Fort Zeelandia

Suriname is een groot land met maar heel weinig inwoners. Dat heeft tot gevolg dat de musea in Suriname ook niet enorm indrukwekkend zijn.

Wat echter toch wel leuk was is Fort Zeelandia. Dat ligt aan de Surinamerivier Dit oude fort uit de 17eeeuw bevatte een aantal zalen met leuke tentoonstellingen.

Maar het restant van de kogelgaten in de muren van het fort als gevolg van de Decembermoorden en de plaquette waarin openlijk het aandeel van Bouterse in de Decembermoorden van 1982 werd belicht maakten veel indruk op ons.

Intermezzo: de decembermoorden

In de nacht van 7 op 8 december 1982 zijn er 15 tegenstanders van het Bouterse regime vermoord in Fort Zeelandia. De rechtszaak tegen Bouterse loopt in Suriname nog steeds. maar wel opvallend was de wijze waarop in Suriname openlijk schande wordt gesproken over de misdaden van Bouterse. Dat zagen we in de plaquette in Fort Zeelandia, maar in de lokale kranten werd ook het huidige beleid van Bouterse openlijk bekritiseerd. Schande werd vooral gesproken over de wijze waarop hij het land Suriname “verkwanselt” aan China.

Stone eiland en Brownsberg

Naast wat kleine uitstapjes hadden we het voornemen om ook twee meerdaagse tochten te maken. Daarvoor zijn we met onze huurauto eerst naar het vakantiepark Stone Eiland gereden, waar we overnacht hebben.                                           Stone eiland ligt prachtig aan de Brokopondo meer.

Intermezzo: het Brokopondomeer

Het Brokopondomeer is een in de jaren ‘60 van de vorige eeuw gebouwd stuwmeer met een oppervlakte bijna zo groot is als de provincie Utrecht. Dit enorme stuwmeer is aangelegd voor de energieopwekking ten behoeve van de oude aluminium fabrieken. Na het sluiten van deze fabrieken levert de waterkrachtcentrale nu groene elektriciteit aan heel Paramaribo. Bij de aanleg van dit meer zijn een aantal valleien ontruimd om daarna onder water gezet te worden.

De bomen die in de ondergelopen valleien van het Prokopondomeer stonden zijn niet omgehakt. Daardoor steken de stammen van de oude bomen nog steeds – als een soort galgen – uit het water.

De bevolking die in de later ondergelopen valleien leefden zijn verplaatst naar nieuw aangelegde, troosteloze, “transitiedorpen”, zoals bijvoorbeeld Brownsweg. De mensen die daarmee uit hun oude agrarische bestaan gehaald zijn, hebben in de transitiedorpen niets om handen omdat ze er hun oude bestaan niet meer konden oppakken. De meeste mannen uit de transitiedorpen verdienen nu alleen wat geld in de illegale gouddelving.

Onze bedoeling was om gelijk na aankomst op Stone eiland  met onze 4×4 Toyota Rav4 omhoog te gaan naar Brownsberg om daar vervolgens in de regenwouden te gaan wandelen. Omdat we het de “kleine regentijd” was in Suriname, was de weg naar Brownsberg echter een, kilometers lange, glibberige modderpoel geworden en ondanks onze 4×4 aandrijving waren we binnen de korst mogelijke keren tot de bodemplaat weggezakt in de modder. Na een aantal mislukte pogingen om onze auto uit de modder te bevrijden, zijn David en ik teruggelopen naar Brownsweg. Daar hebben we alle eigenaren van grotere jeeps aangesproken om ons te helpen. Binnen 5 minuten kregen we hulp van een man met een vervallen garagebedrijf maar wel met een 8 cilinder sterke, hoog op de wielen staande, jeep. Deze trok ons binnen de kortst mogelijke keren uit de modder. Daarna besloten we om maar terug te gaan naar ons vakantiehuisje op Stone eiland. Op het vakantiepark konden we gelukkig nog een taxi jeep voor de volgende dag regelen. Dit om ons toch nog naar de Brownsberg te brengen.
De volgende dag werden we opgehaald door een taxichauffeur met een hoge, oude, maar sterke Toyota HiLux . Deze jeep kon de modderpaden van Brownsberg prima de baas. De dagelijkse baan van onze taxi chauffeur was om met zijn taxi een aantal malen per week de goudzoekerskampen in de buurt te bevoorraden. Wij vroegen hem om ons zo’n goudzoekerskamp te laten zien, maar dat weigerde hij. De goudzoekerskampen waren niet bepaald een veilige omgeving voor Nederlandse pottenkijkers.

Aangekomen bij Brownsberg hebben we een trail door het tropische regenwoud gelopen naar de watervallen van Leon Val en Irene Val. Het was voor het eerst in ons leven dat we in zo’n echt tropisch regenwoud liepen. Opvallendst was vooral hoe donker het was op de grond. De bomen en alle andere begroeiing vingen al het zonnelicht weg. Natuurlijk was het tijdens de kleine regentijd ook extra vochtig.

 

Dat betekende dat de paden soms veranderd waren in riviertjes en in roodbruine modderpaden. De vochtigheid in de jungle zorgde er ook voor dat we al snel helemaal nat waren van het zweet. Toch was het een geweldige ervaring om tussen geweldige woudreuzen te lopen, te schommelen in de lianen en te luisteren, te kijken naar apen en af en toe te kunnen genieten van een prachtig uitzicht.

Atjoni en verder stroomopwaarts op de Surinamerivier

De tweede meerdaagse tocht die we maakten was naar een dorp aan het eind van de Surinamerivier. Daarvoor reden we eerst met onze auto naar Atjoni. Daar stopte de weg en moesten we overstappen in een korjaal. Vanuit Marina Waterland hadden we al contact gekregen met bootsman Chris, die ons vroeg om rond 13:00u in Atjoni klaar te staan bij zijn korjaal. Atjoni leek wel een soort van busstation te zijn. Tientallen korjalen stonden er klaar om mensen en vracht naar verschillende halterplaatsen te brengen aan de bovenloop van de Surinamerivier. Deze korjalen zijn nog steeds uitholde boomstammen die  fors uitgebouwd zijn door aan de zijkanten houten wanden te timmeren. Deze boten waren dankzij een 50 pk buitenboordmotor bloedsnel en ook nog wendbaar.

Het dorp dat wij bezochten lag nog weer 4 uur varen van Atjoni. De tocht over de rivier was een van de absolute hoogtepunten van onze tijd in Suriname. De tocht ging geheel door het indrukwekkend mooi tropisch oerwoud. Ongeveer om het kwartier voeren we langs een klein dorpje waar de kinderen zaten te spelen in het water en vrouwen de was deden in de rivier. De bovenloop van de Surinamerivier had ook een tiental kleine en grotere stroomversnellingen. Deze stroomversnellingen werden gewoon varend door onze bootsman Chris “ beklommen”: even vaart maken, dan snel de 50 pk motor uit het water tillen, om daarna tegen de stroomversnelling op te klimmen.  Vervolgens werd de buitenboordmotor weer snel volledig terug geklapt om vervolgens met volle vaart weer verder te varen.

Het dorpje waar wij verbleven was het een na laatste dorpje dat per korjaal bezocht kon worden. Aangekomen in het dorp werden we opgewacht door Ely die een soort onderburgemeester bleek te zijn van het dorp.  Door Ely werden we naar ons verblijf gebracht dat bestond uit een verblijfshutje – waar we konden eten – en een slaaphut met 5 bedden, ieder met een muskietennet.  Ely heft ons na bij aankomst – samen met zijn kinderen rondgeleid in het dorp.

    Los van de hutten van de bewoners, stond er in het dorp ook nog een basisschool en een kleine medische post. Op de foto’s ziet het dorp er misschien schilderachtig uit, maar we beseften heel goed dat het leven daar heel basic is. De waterpomp van het dorp bleek onlangs kapot te zijn gegaan, waardoor het weer nodig was om water in kannen uit de rivier te halen. Ook de generator van het dorp was kapot gegaan. Na zonsondergang is het in het dorp dan echt stikdonker. Slechts een enkele hut had een eigen aggregaat voor de verlichting en stroomvoorziening.

Tijdens de tweede dag die we in het dorp waren gidste Ely ons naar de Ananasberg. Na een uur door de jungle te hebben gelopen, kwamen we opeens bij een enorme granieten klomp die als een soort van halve ananas tientallen meters boven de bomen uitstak.

De derde dag werden we al weer vroeg gewekt door Ely omdat we rond 7:00u opgehaald zouden worden door bootsman Chris voor de terugreis.                                                   Rond die tijd stonden er al een groep vrouwen uit het dorp inde rivier de was en de afwas te doen. Een ding weet ik zeker, ik ben blij dat ik niet als vrouw ben geboren in de binnenlanden van Suriname. Die moeten echt heel hard en zwaar werken.

Autopech op weg naar Marienburg

Sietse, David en ik hebben met de auto nog een tocht gemaakt naar de voormalige Marienburg. Echter onze eigen Toyota was helaas kapot gegaan en we kregen van het verhuurbedrijf van Richie een klein autootje mee te vervanging. Ook die auto was al de nodige jaren “mishandeld” door de slechte wegen van Suriname. Een van de banden was onlangs lek gegaan en vervangen door een versleten, klein, thuiskomertje. Op weg naar Marienburg gebeurde uiteraard het onafwendbare: de “thuiskomer” reed ook lek.                        Dit gebeurde midden in het boerengehucht Alkmaar. In Suriname hebben we een ding goed geleerd: tegenslag gebeurd altijd, maar tegenslag is in Suriname slechts een uitnodiging om nieuwe, aardige, mensen te ontmoeten om samen het probleem op te lossen.                                                      Dat bleek ook in Alkmaar het geval. Nadat we Richie’s verhuurbedrijf gebeld hadden kregen van Richie te horen dat hij zijn neefje naar ons zou sturen met een goed wiel ter vervanging van de thuiskomer. Dat zou echter wel een uurtje kunnen duren. In Alkmaar bleken we voor een boerderij te staan en als snel raakten we in gesprek met de boer. Eerst hebben we samen met hem wat hout gezocht hadden om de krik stevig op te kunnen zetten en daarna hebben we de auto omhoog gekrikt. Vervolgens hebben we bij deze boer heerlijk in de schaduw van zijn huis gewacht  totdat de neef van Richie zou komen. Natuurlijk is wachten nooit leuk, maar gezellig kletsend met de boer vloog de tijd voorbij.

Uiteraard moesten we niet een uur wachten maar twee uur wachten voordat onze nieuwe wiel werd gebracht. Maar na de wielwisseling konden we toch nog op pad gaan naar Marienburg. Na onze auto geparkeerd te hebben bij Marienburg werden we begroet door een gids die ons door de oude plantage leidde. De man was vermoedelijk 80 jaar oud en had 35 jaar in de suikerfabriek gewerkt.
                                                                                              Hij liet ons de vervallen fabrieksgebouwen, de overgroeide machines en de nog mooie directiewoningen zien en vertelde indrukwekkend over het bestaan op de plantage.
Maar nog indrukwekkender werd het toen onze gids bij het monument kwam voor de 17 in 1902 door Nederlandse militairen doodgeschoten contractarbeiders.                                  Dit omdat de contactarbeiders in 1902 de zoveelste loonverlaging niet meer pikten, in opstand kwamen en daarbij de directeur van de fabriek ombrachten. De Nederlandse militairen hebben na het neerschieten van de contractarbeiders een massagraf gemaakt en de lijken van de doodgeschoten mensen overgoten met ongebluste kalk. Tot op vandaag is dit massagraf nog steeds niet teruggevonden.  Dit is een van de meeste memorabele  episodes uit de geschiedenis van Suriname, een episode waar je je als Nederlander niet trots op kunt zijn.

Afscheid

Op 20 Januari, kwam er een eind aan ons verblijf in Suriname. In die maand die we in Suriname verbleven ga je je echt thuis voelen in het land en ook van het land houden. We hebben vele leuke mensen ontmoet, de weg van Domburg naar Paramaribo hadden we zo vaak gereden dat het een soort van woon werk-verkeer werd. In Paramaribo hadden we zoveel gelopen en gereden, dat we daar bijna blind onze weg konden vonden. We hadden ook de keerzijde van al dit plezier gezien, het land is arm en wordt geleid door een corruptie leiding die het land leegsteelt. Maar we zagen per saldo ook dat de bevolking van Suriname trots is op hun land en die trots graag met ons wilde delen. Daardoor konden we tegen elkaar de door ons zelf bedachte spreuk herhalen “tegenslag gebeurd altijd, maar tegenslag is in Suriname slechts een uitnodiging om nieuwe, aardige, mensen te ontmoeten om samen het probleem op te lossen”.

 

12. De grote oversteek

Vertrek

 

 

 

 

 

 

 

 

2 December was het zover. Zoon Sietse, opstapper David en ik vertrokken vanuit Mindelo richting Suriname. De oversteek met een lengte 1970 zeemijl begon.

Alle watertanks, diesel tanks, 7 jerrycans voor water en diesel waren tot de nok toe gevuld. Ook alle kasten, de koelbox en de groentenetten waren helemaal afgeladen met eten voor onderweg.

Uiteraard hadden we de weerberichten voor een aantal dagen vooruit bestudeerd en dat zag er redstabiel en goed uit.

Toch waren we best wel wat zenuwachtig toen we de  trossen losgooiden om te beginnen aan de langste oversteek die we ooit gemaakt hadden.

Hoe zouden we de verlatenheid ervaren, hadden we genoeg eten en drinken bij ons, hoe zou het weer zich ontwikkelen, zouden we een storm krijgen, konden we wel we goed genoeg slapen en uitrusten. Al dat soort vragen kwamen de dagen voor ons vertrek steeds naar boven. En alhoewel we rationeel gezien op al deze twijfels een goed antwoord konden formuleren, bleef dit soort onzekerheden toch zeker steeds opspelen.

Contact met andere Nederlandse zeilers

In Mindelo hadden we met een aantal andere Nederlandse vertrekkers afgesproken om dagelijks per SSB of per per email even contact met elkaar te zoeken zodat we van elkaar wisten waar iedereen was, welke routekeuzes ieder maakte en of er ergens problemen  waren. Helaas bleek onze SSB nog steeds niet goed te werken zodat we niet mee konden doen in het praatnetje. De Iridium Go satelliettelefoon deed het meer dan uitstekend, het bleek goed mogelijk om dagelijks een email te sturen naar een van de Nederlandse mede overzeilers, waarna deze zeiler een email naar de hele groepje Nederlandse zeilers stuurde met al onze posities. Ook bijzonderheden of spannende berichten konden we zo soepel uitwisselen.

Samen op met de Hera


We hadden al eerder ervaren dat zeilers die tegelijk met een oversteek starten binnen 1-2 dagen zo ver uit elkaar komen te liggen dat je de anderen niet meer kunt zien en ook contact per marifoon is ook niet meer mogelijk als je meer dan 30 mijl uit elkaar ligt. We kregen echter in Mindelo de vraag van de bemanning van de Hera of onze beide boten bij elkaar konden blijven. Omdat we het altijd heel goed konden vinden met de bemanning van de Hera, vonden we dat een prima idee en gedurende de hele overtocht zijn we nooit verder dan 20 mijl uit elkaar geweest. Omdat de Hera 3 meter langer is dan de Atropos betekende dit voor de Hera dat ze vaak wat zeil minderde om toch bij elkaar in de buurt te blijven. Zo konden we dagelijks 2-3 keer per marifoon contact met elkaar hebben en even bijkletsen. Soms over onbenullighedenheden over wat we ieder gingen eten, soms om weerberichten uit te wisselen. Maar als op een van de boten een vis was gevangen dan werd dat juichend en met veel bravoure gemeld aan de andere boot. Twee keer hebben zijn we tijdens de overtocht elkaar echt dicht genaderd om foto’s en filmpjes van de andere boot te maken.

 

 

 

 

 

 

Het weer onderweg

In Mindelo konden we via WIFI en 3G nog snel en veel weerberichten verzamelen voor de eerste dagen van de oversteek. Tijdens de oversteek is dat iets minder eenvoudig, maar wel goed te doen. De Iridium Go is een satelliet ontvanger die prima in staat is om data en voice te ontvangen We konden er dus mee naar huis bellen, maar we konden ook emails versturen en via speciale programma’s konden we ook weerinfo krijgen. Het gaat allemaal wel heel langzaam, maar omdat je tijdens de overtocht toch genoeg tijd hebt, is de snelheid van het dataverkeer niet zo’n probleem. De weerberichten die we verzamelden gingen via drie stappen. Via een website van de NOAA, de Amerikaanse versie van de KNMI konden we weerkaarten ontvangen van de hele Atlantische Oceaan. Zo wisten we waar de hoge en lage druk gebieden lagen en of er stormen dan welk “squals” aan zouden komen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Via het programma Predictwind konden we ook meerdaagse voorspellingen krijgen van de te verwachten windsterkte, windrichting, golfhoogten ed. Daarnaast kregen we van een oud opstapper Erik dagelijks een uitgebreide mail met zijn visie op het weer. Deze drietrapsraket heeft bij ons heel goed gewerkt. Daarbij kwam ook dat het weer tijdens de overtocht redelijk stabiel bleef. Eigenlijk hebben we constant 5-6 bft wind van schuin van achteren gehad. Dat bleek de Atropos prima aan te kunnen. Ook als het een enkele dag wat harder waaide hadden we geen echte problemen. Tijdens de hele tocht hebben we geen druppel zeewater in de kuip gekregen. Ook met golven van soms wel 3-4 meter hoog had de boot geen probleem. Deze golven tilden de de boot een beetje omhoog, waarna de golven soepel onder de boot door stroomden. Alhoewel we wisten hoe goed de boot de golven aankon, was het toch soms het best wel een beetje beangstigend als je ’s nachts wacht liep en het met nieuwe maan pikkedonker was. Je zag dan helemaal niets, maar je hoorde dan wel een hoge brekende golf met veel lawaai van verre aankomen. Als je wist dat de golf heel dicht bij de boot was, voelde je de boot opgetild worden door de golf. Voor de zekerheid sloten we de kajuit dan wel af. Zou er namelijk een breker toch de kuip in rollen, dan wilden we vooral voorkomen dat het water de hele kajuit onder water zouden zetten. Alhoewel we wisten dat de Atropos speciaal gebouwd was voor dit soort lange oversteken, durfde we dat  pas halverwege de reis ook echt te geloven. Gelukkig was dit echt ruwe weer uitzonderlijk. Meestal was het tijdens de overtocht stabiel mooi weer en was het een feest om ’s nachts rustig naar de maan en de prachtige sterrenhemel te kijken

Wat deden we onderweg

Tijdens de overtocht lijken de meeste dagen heel veel op elkaar. Je doet ook niet zo heel veel op een dag.

Bewegen aan boord gaat, vooral als het een beetje stevig waait, ook niet zo handig. Dit omdat de boot toch steeds scheef op een kant ligt en schuivers maakt.

Meestal hadden we ’s ochtends na het ontbijt wel een uur nodig om via de Iridium GO alle weerberichten en emails van andere vertrekkers op te halen. Daarna bestond de dag vooral uit het naar de golven kijken, een beetje lezen, muziek luisteren en vissen.  Elke dag moest uiteraard ook het logboek bijgehouden worden. “s nachts deden we dat alle drie echt consequent om het uur. Dit ook omdat je daarmee de uren aftelt dat je wachtloopt. Overdag waren we niet altijd even consequent in het noteren van de posities. Ook werd een keer per dag berekend hoeveel mijl we richting Suriname hadden afgelegd. Soms was dat leuk, namelijk als je een dag record had gevaren, soms was dat ook frustrerend.  Vier dagen voor het eind hebben we een dag gehad waarin we maar 38 mijl richting Suriname hebben gevaren. Andere boten hebben we, behalve de Hera, amper gezien. Hoogtepunt van de dag was het feestuurtje om 16:00 uur. Dan dronken we samen een glaasje fris en aten we wat chips of nootjes. We hadden met elkaar afgesproken om tijdens de overtocht in beginsel geen alcohol te drinken. Maar een beginsel is pas echt een beginsel als je ook uitzonderingen toelaat. Zo spraken we af dat we twee keer per week een biertje mochten drinken bij de chips.

Wat onverwacht ook goed mogelijk bleek  is om aan boord te sporten. Op het dek, in de kuip en tussen de verstaging bleek het prima mogelijk om een krachttraining te organiseren. De jerrycans met water was opeens een gewicht van 20kg. Steun zoekend aan de verstaging konden we om veilig squats doen, terwijl het ook mogelijk bleek om te “planken” op de achterbank van de kajuit. Zo hadden we een circuit van ongeveer acht oefeningen bedacht om alle spiergroepen te blijven trainen. Na zo’n training zweet je natuurlijk behoorlijk. Daarom beloonden we onszelf na zo’n training met een korte douche op het achterdek van ca. 30 seconden. Omdat we genoeg, maar niet te veel water bij ons hadden, mocht er immers geen water verspild worden aan uitgebreid douchen. Na een week zeilen hebben we een dag gehad met weinig wind. Toen de wind zelfs beneden de 10 knopen zakte, zijn we na het sporten ook om de buurt overboord gesprongen om in de oceaan lekker af te koelen. Het is dan toch wel een beetje vreemd om in 4000m diep water te liggen.

Voorbereidingen voor noodgevallen

Alhoewel er geen nare dingen zijn gebeurd tijdens de overtocht, waren we toch op veel narigheid voorbereid. De belangrijkste belangrijkste afspraak was om ’s nachts tijdens het wachtlopen, nooit in je eentje de kuip uit te gaan. Als we ’s nachts iets op het voordekken moesten doen, dan moest er altijd een tweede persoon wakker gemaakt worden. Bij het naar voren lopen hebben we ons ook steeds verplicht om altijd een lifeline aan te klikken aan banden die van voor naar achter over het dek gespannen waren. Ook spraken we af dat we ’s nachts altijd een zwemvest zouden dragen, zelfs bij rustig weer. Als het weer een beetje onstuimig was dan haakten we ook lifelines vast in de kuip om te waarborgen dat je nooit uit de boot kunt vallen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

We hadden uiteraard een reddingsvlot bij ons, met daarin een minimum aantal extra veiligheidsmiddelen. We hadden daarom een extra “grab bag” bij ons welke helemaal vol geladen was met extra veiligheidsmiddelen en eten. Daarnaast hadden we ook nog een “muster list”  gemaakt wie wat zou moeten doen ingeval van nood. Al deze dingen en kennis had Sietse ingebracht die in het voorjaar van 2018 een speciale veiligheidstraining van de STCW gedaan had als voorbereiding op de reis.

Warm eten

Het maken van warm eten aan boord is wel steeds een uitdaging. Vooral het snijden van groenten is lastig op een eeuwig rollende boot. Daarom klonk er dagelijks vanuit de kajuit wel een enorme vloek als er weer een net gesnipperde uien of een net geopend voorraadblik met muesli op de vloer viel. Maar toch is het ons steeds gelukt om dagelijks een smakelijk warme maaltijd klaar te maken. Het menu werd extra aantrekkelijk toen het in de tweede deel van de tocht ons steeds beter lukte om vis te vangen met onze hengel.

We hadden de laatste dag in Mindelo op de groentemarkt veel verse groenten gekocht. Niet geheel onverwacht bleek dat de aardappelen en uien de hele tocht goed te bleven. Ook de tomaten hebben het lang uitgehouden. Tot onze frustratie waren de kolen, wortels en de pastinaak die we in Mindelo gekocht hadden na anderhalve week zo verschrompeld en verrot dat we zo over boord konden gooien. Natuurlijk hadden we tegen alle adviezen van eerdere vertrekkers in behoorlijk wat blikvoer gekocht. Eigenlijk hebben we maar een of twee dagen echt blikvoer gebruikt. Steeds bleken we in staat te zijn om lekker warm eten te maken met  de verse producten die we nog hadden. Slechts een dag was onze fantasie onderweg echt op en maakten we een snelle en vooral gemakkelijke maaltijd van een stamppot zuurkool met een rookworst. Toen bleek dat deze echte Hollandse winterkost ook heel lekker te zijn terwijl het buiten en binnen 30 graden was.

Vissen

In La Gomera hadden Sietse en ik een vishengel gekocht om zee verse vis te vangen. We hadden dit echter nog nooit gedaan. Enkele dagen na het vertrek uit Mindelo begonnen we te vissen. Dat bleek, voor ongetrainde vissers die we waren, best lastig te zijn. Binnen enkele dagen waren we daardoor al heel wat kunstvisjes, vishaken en onderlijnen verloren en frustraties rijker. We visten met vrij kleine kunstvisjes waardoor we ook mochten verwachten dat we niet te grote vissen zouden gaan vangen. Dit hadden we  bewust gedaan omdat we geen diepvries in de Atropos hebben en het binnenhalen van een echte grote vis ook te lastig zou worden. Een te grote vis zou bij ons aan boord ook alleen maar kunnen bederven.

 

 

 

 

 

 

 

 

Na een week kregen we voor het eerst beet, maar het lukte de eerste vissen om steeds te ontsnappen. Halverwege de overtocht lukte het ons de eerste kleine Maui Maui te vangen. Toen bleek dat het aan boord halen van de vis nog best lastig is. Het “slachten” van de vis bleek echter een nog veel grotere uitdaging te zijn. Uiteindelijke lukte het David en Sietse steeds beter om de vis te snel te doden door met onze  grootste lierhandel een gerichte tik te geven tussen de ogen van de vis. Daarmee konden we de vis uit zijn lijden verlossen waarna we de vis konden gaan fileren. De eerst vis woog misschien maar een kilo, waar misschien maar 500 gram filet van overbleef. Aan het eind van de tweede week vingen we een echte stevige Maui Maui van 2 kg. Dat leverde ons vis voor 2 dagen op. De laatste week lukte het zelfs op twee mooie tonijnen te vangen. Allebei de vissen wogen 3 kg, waardoor we na vier dagen vis eten besloten om de hengel maar even niet te gebruiken. Alhoewel vers gevangen tonijn heerlijk smaakt, zeiden we een beetje blasé tegen elkaar dat te veel verse tonijn een beetje begint te vervelen.

In Suriname hoorden we van andere zeiler dat ze grotere hengels en grotere kunstvisjes hadden gebruikt maar dat ze amper vis hadden kunnen eten. Dit omdat de grote vissen die ze aan de haak sloegen de hengel of de onderlijnen volledig kapot trokken. Kortom na afloop van de reis waren we best tevreden met onze visprestaties.

17 dagen op zee

Zoals eerder beschreven was de overtocht van Mindelo naar de Waterland Marina in Suriname 1970 mijl lang. Dagelijks hebben we steeds ongeveer 125 mijl afgelegd.

Als we kortste route zouden willen nemen, dan zouden we vaak pal voor de wind moeten gaan varen, met aan beide kanten van de mast een zeil, “melkmeisje varen” heet dat. We hadden echter besloten om dat niet te doen, omdat we wisten dat de boot dan onaangenaam van 30 draden op stuurboord naar 30 graden bakboord zou gaan schommelen. Bewust kozen we er voor om steeds met een bakstag ruime wind te varen die 30 graden van achteren kwam. De beide zeilen blijven dan goed vol staan en de boot schommelt dan alleen maar een kant op. Alhoewel een schommelde boot nooit echt fijn is, is het vooral ’s nachts heel vervelend  als de boot van stuurboot naar bakboord rolt. Dan kun je in de kajuit niet ontspannen liggen. Als de boot maar naar een kant schommelt is het veel beter mogelijk om stabiel in de bed te liggen en daardoor goed te slapen.  Vanwege de keuze die we hadden gemaakt om steeds met ruime wind te gaan varen, moesten we om de paar dagen een gijp maken om toch in de buurt te blijven van de rechte lijn naar het eindpunt. Zo hebben we vele mijlen omgevaren, waren we niet de snelste boot van alle Nederlanders, maar kwamen we wel uitgerust aan in Suriname.

De aankomst

De laatste 350 mijl van de tocht hadden iets van “de laatste loodjes”. Die laatste 3 dagen viel toch weer tegen. Wat ons vooral tegenviel was de stroming. In de pilotboeken en kaarten die we hadden lazen we dat we 2 knopen stroom mee zouden hebben. Wij hebben echter nog een volledige dag een dikke tegenstroom gehad. Wij konden maar niet ontdekken waar dat aan lag. Na overleg met onze weerman Erik en met echtgenote Jessica bleek er ook nog een kleine Equatoriale “counter current” te zijn en wij bleken daar precies in te zitten. Echter aan alle ellende komt eens een eind, dus op enig moment viel de tegenstroom weg en kwamen we in de gunstige meestroom terecht. Het is dan op zich fijn om met een snelheid van 7 knopen richting Suriname te gaan, maar dat creëerde een nieuw probleem. We wilden namelijk niet in de nacht aankomen en bij het opvaren van de Suriname moet we ook weer rekening houden met eb en vloed. Na wat rekenen wisten we dat we 18 december om 7 uur bij de uiterton van de Suriname zouden moeten aankomen om bij daglicht en met vloedstroom mee de rivier op te varen. Dat betekende dat we opeens moesten gaan afremmen. Met volledig gereefde zeilen lukte het ons om de snelheid over de grond  terug te brengen naar 4,5-5 knopen. Maar de beloning was groot. Precies op het juiste moment zagen we de uiterton van de Suriname rivier waarna we een uurtje later met een lekkere vaartje Suriname binnenvoeren. Nog weer een uurtje later voeren we vlak langs Paramaribo en weer twee uur later konden wij het ankerbiertje opentrekken in de marina van Waterland.

De overtocht is een geweldige ervaring geweest maar het was toch ook weer heel fijn om voet aan wal te kunnen zetten en weer te genieten van de geneugten van het landleven. Nog fijner was het om met de bemanning van andere Nederlandse zeilboten weer een avondje te kunnen kletsen over al onze ervaringen.

11. De Kaap Verden

Ik had, voordat ik met mijn rondje Atlantic, begon nog nooit de Kaap Verdische eilanden bezocht. Wel had ik er al heel veel over gelezen. De wat oudere verhalen die ik las gingen vooral over een rauwe wereld van armoe en werkloosheid. De laatste jaren las ik steeds meer positieve verhalen over de eilanden, over aardige, relaxte, mensen en mooie natuur. Ik wilde de eilanden daarom graag bezoekentijdens mijn rondje Atlantic. Een bezoek aan de Kaap Verdische eilanden was daarbij ook “handig”. Op Sal is een groot vliegveld, waardoor we eenvoudig een bemanningswisseling konden  regelen. Door de Kaap Verden te bezoeken wordt de grote oversteek van de Atlantische ook opgeknipt in twee minder lange passages dan bij een rechtstreekse oversteek vanuit de Canarische eilanden. Tenslotte begint ter hoogte van de Kaap Verden ook de stabiele trade winds, die een rustiger overtocht beloven.

De Kaap Verden bestaat uit een reeks noordelijke eilanden met Mindelo als de centrale stad en uit een aantal zuidelijker gelegen eilanden.

De zuidelijke eilanden heb ik overgeslagen. Ze liggen eigenlijk te veel buiten de route richting Suriname.

Het eiland Sal

De reis door de Kaap Verden begon voor mij op  17 november in Palmeira op het eiland Sal. Sal is een vlak, kaal en vooral droog eiland met een paar kleine heuvels  en met veel dorre zandvlakten. Na 6 dagen varen vanuit La Gomera zagen we als eerste drie losse heuvels aan de horizon opdoemen. Pas uren later bleken dat die drie heuvels op een en hetzelfde eiland te liggen. Bij het laatste stukje van de tocht wilde de wind even bewijzen dat ze echt stevig kan waaien. Met een stevige 7 Bft en lange rollende golven die, hoog opspattend, kapot sloegen tegen de rotsen van het eiland, voeren we naar Palmeira, de enige havenstad van Sal. We wisten dat er in Palmeira al een paar bevriende Nederlandse boten zouden liggen. Maar het is toch wel heel leuk als je na 6 dagen varen in een onbekende haven aankomt en er direct vanaf een boot “ Ha, Willie!” wordt geroepen.

We wisten dat we in Palmeira zouden moeten ankeren. Bij aankomst bleek dat de havenkom heel vol lag. Het vinden van een goede ankerplek werd echter makkelijker gemaakt door een DJ. DJ bleek een geweldig leuke local te zijn die zich de rol van  informele havenmeester/taxi boot schipper/ restaurantbemiddelaar had aangemeten. Hij wees, tegen een kleine vergoeding, iedereen direct een goede ankerplek aan. Gelijk nadat we  vastlagen, meldde DJ dat hij ons met zijn taxi sloepje, weer tegen een kleine vergoeding, naar de wal kon brengen en ons daar ook  gelijk de goede restaurants kon aanbevelen.

Inklaringsperikelen

De dag na aankomst moesten we ons inklaren bij de (maritieme) politie en ook bij de militaire politie.  De boot moest aangemeld worden bij de (maritieme) politie, terwijl we als bemanning een visum moesten halen bij de militaire politie. In Nederland hanteren we de term militaire politie niet, in Nederland gebruiken we de term de  “marechaussee”. De maritieme politie werkte heel soepel en ervaren. Maar helaas bleek de dienstdoende man van de militaire politie om 10:00u nog in zijn bed te liggen en nadat hij, al gapend, na twee uur aankwam op het politiebureau bleek hij ook niet helemaal vertrouwd met de ambtelijke  procedures voor een visum. Nadat hij  eerst een visum stempel in mijn paspoort had gezet, besloot hij dat dat wellicht toch niet juist was en werd mijn visum door hem geannuleerd. Sietse en ook een aantal andere wachtende zeilers kregen ook geen visum. Omdat we dat wat vreemd vonden, zijn we een dag later maar weer teruggegaan naar de militaire politie. Toen zat er gelukkig wel een ervaren politieman. Deze zette  binnen 5 minuten de noodzakelijke visumstempels in onze paspoorten. Hij maakte daarop zijn oprechte excuses voor de onkunde van zijn collega van de dag daarvoor en vervolgens hoefden we opeens ook niet meer te betalen voor het visum.

Sal viel ons niet mee

Intussen hadden we gelukkig wel tijd gehad Palmeira een beetje te verkennen. De stad was kleurrijk, maar duidelijk ook straatarm. Misschien daardoor was er ook behoorlijk wat criminaliteit, vermoedelijk een direct gevolg van de armoede. Die criminaliteit kwam wel heel dichtbij toen we op een avond, op weg naar een restaurant, getuige waren van een steekpartij in een steegje.

Nadat we opstapper Erik hadden weggebracht naar het vliegveld, meldde DJ bij terugkomst in de haven dat onze boot wat schade had opgelopen. Die dag stond er een enorme “swell” in de haven, waardoor alle in de haven geankerde boten alle kanten opdraaiden achter het anker. Een grote boot met een enorme boegspriet had tijdens onze afwezigheid onze giek en onze bimini geschampt. De schade was eigenlijk gelukkig alleen esthetisch, maar de schade aan onze zeilershart was veel groter. Sal was door al deze akkefietjes niet een leuke  bestemming voor ons. Daar staat tegenover dat we van twee andere boten hoorden dat zij Sal enorm plezierig en veilig hadden gevonden. De perceptie van een land of eiland kan blijkbaar per persoon sterk verschillen.

Tarrafal op het eiland Sao Nicolau

We gingen 20 november maar weer anker op, om in een tocht van 20 uur naar Tarrafal te gaan, een klein dorpje met een prachtige ankerbaai op het eiland Sao Nicolau. Tarrafal bood ons een heerlijk rustige ankerplek met helder water waarin we lekker konden snorkelen. Het stadje voelde voor ons ook een stuk relaxter en veiliger aan dan Palmeira. In een café aan de haven kwamen we de bemanning van de Spellbinder tegen. Samen met hen hadden we een paar dagen eerder uren staan wachten op het politiebureau van Palmeira op de slapende politieman. De bemanning van de Spellbinder bleek aan tweetal grote Mahi Mahi te hebben gevangen waardoor  hun hele diepvries liet uitpuilen met 10 kg verse vis. Tactisch vroeg ik onze Engelse vrienden of ze wellicht niet “te veel” vis hadden, waarna we meteen uitgenodigd werden om bij hun aan boord wat vis op te halen en om ook een gin tonic te komen drinken. Dat werd een hele plezierige borrel. Een gin tonic werden al snel twee gin tonics en toen we onze bijboot instapten hadden we 6 enorme moten kakelverse vis.  Omdat we op de Atropos geen diepvries hebben en we wilden voorkomen dat de vis oud zou worden, hebben we die avond ons helemaal volgegeten aan de vis. Heerlijk!

Mayday oefening

Na een dagje Tarrafal zijn we tegelijk met de bemanning van de Hera op 22 november naar de marina van Mindelo op Sao Vincente gevaren.

 

 

 

 

 

 

 

 

De schipper van de Hera vroeg ons of we zin hadden om midden op zee,  ver buiten het marifoonbereik van andere schepen en lokale kustwachten,  samen met zijn bemanning een Mayday oefening te doen.

Intermezzo : de Mayday oproep

Als je boot in grote problemen komt en er onmiddellijk groot gevaar bestaat voor het leven van de bemanning van een boot, mag je op de marifoon een zgn. Mayday oproep doen op kanaal 16, het noodkanaal van de marifoon. Elke boot wordt geacht dit noodkanaal steeds uit te luisteren.

De Mayday procedure kent een vast, internationaal, afgesproken format die je leert ter voorbereiding van de marifoonexamens. Bedoeling van dit vaste format is dat andere schepen en de uitluisterende kustwachten direct weten wie, waar en waardoor er (in) grote nood is en wat de meest gewenst reddingsactie is. Na deze marifoonexamens vergeet je deze procedures natuurlijk heel gemakkelijk. In de praktijk kun je een Mayday oproep helaas moeilijk oefenen omdat de boten en de kustwacht in de omgeving dan mogelijk direct allerlei reddingsacties gaan opzetten.

De Mayday oefening bleek enorm leuk en vooral ook leerzaam te zijn. Na eerst weer even de leerboeken te hebben doorgelezen om de Mayday procedures op te halen gingen we op beide boten aan de gang. Uiteraard niet op kanaal 16 maar op het zgn. “babbelkanaal” 77 van de marifoon hebben we vier keer de Mayday procedure geoefend, Een boot speelde de boot in nood, terwijl de andere boot de Coast gard speelde. Ter voorkoming van elk misverstand steeds riepen we wel “ Mayday exercise”  in plaats van het magische woord “Mayday”. Hoe leuk en nuttig de oefening voor ons ook geweest is, we beseffen dat dit alleen ver van de bewoonde wereld te oefenen is en pas nadat je via de AIS gecheckt hebt dat er geen boten in de eerste 30-40 mijl te vinden zijn.

Mindelo op het eiland Sao Nicolau

Mindelo  is een kleurrijk stadje met meer dan 100.000 inwoners, maar Mindelo heeft geen indrukwekkend mooie gebouwen en ook geen imponerende kerken of kastelen. Tijdens de economische crisis van 2007-1013 is Mindelo economisch in zwaar weer komen te zitten, maar het was merkbaar dat de stad aan het opkrabbelen was. Vele gebouwen werden weer geschilderd en overal werd aan de wegen gewerkt om de infrastructuur te verbeteren. Maar wij vonden Mindelo een heerlijk plek om twee weken te zijn en ook om ons voor te bereiden op de oversteek van de Atlantische Oceaan. Het weer was er aangenaam, de mensen bleken aardig, Mindelo heeft ook de winkels die we nodig hadden, de twee goede groentemarkten zijn een belevenis en de vismarkt van Mindelo verkoopt kakelverse tonijn voor EURO 5 per kilo. Eerder schreef ik dat ik mij niet helemaal veilig had gevoeld op Sal. Op Sao Vincente heb ik me, of ik nu ’s nachts door Mindelo liep of over dorpsweggetjes croste met de scooter, altijd volkomen veilig en ontspannen gevoeld. Overal in
Mindelo werd ook reclame gemaakt voor het “nationale thema” van het eiland: “no stress”. Dat thema straalde iedereen ook wel uit. De automobilisten reden in het stadje rond zonder enige haast: als je maar dacht dat je als voetganger wilde oversteken, stopten de auto’s direct en wuifden dat je kon oversteken. In Nederland gebeurd dat niet meer!

De marina van Mindelo

De marina van Mindelo ligt rond begin december  barstens vol met boten vanuit de hele wereld de zich allemaal voorbereiden op de grote oversteek naar het Caribisch gebied. Natuurlijk betekende dit dat we weer veel van de Nederlandse vertrekkersboten zagen, maar we hebben ook heel wat gekletst en geborreld met boten uit Engeland, Frankrijk, Nieuw Zeeland en de Verenigde Staten. Het schept een enorme “vibe” als er op alle boten om je heen enorme hoeveelheden boodschappen doet en er overal druk geklust wordt. Zelf hadden we bij aankomst in Mindelo wat problemen met het achteruit varen op de motor. Toen we dit met een aantal andere schippers bespraken bleken er al snel halve en hele techneuten bij te zitten, waardoor we snel konden deduceren dat het achteruitvaarprobleem veroorzaakt werd door een loszittende bevestiging  van de gaskabel in de stuurkolom van de Atropos. Binnen twee uur hadden we – met hulp van onze techneutenvrienden – zo een technisch probleem opgelost waar we nooit van verwacht hadden dat we dit zelf konden oplossen.

Centraal punt in de marina van Mindelo is de bekende “floating bar”. Dit drijvende café was niet alleen populair bij de bemanning van alle boten om een lekkere borrel te drinken met andere boten en om te kletsen, maar vooral ook vanwege de gratis wifi

Het achterland op van Mindelo

 Het achterland van Mindelo de moeite waard te zijn.
Het is droog en verlaten als een maanlandschap, maar misschien daardoor ook indrukwekkend mooi. Het eiland van Sao Vincente hebben we het beste leren kennen door met gehuurde scooters het hele land door te crossen.

 

 

 

 

 

 

Vooral toen we op de onverharde paden kwamen, langs kleine dorpjes en langs wat steengroeves, werd het land adembenemend prachtig.

Het eiland Santa Antao

Een bezoek aan de Kaap Verdië is volgens velen niet compleet zonder een bezoek aan het eiland Santa Antao. Volgens de reisgidsen is het een groen eiland zijn met prachtige bergen en dalen. Santo Antao ligt maar 10 mijl van Mindelo, maar het eiland is alleen te bezoeken met een veerboot. Tijdens onze overtocht met de veerboot bleek wel waarom het niet met een zeilboot te doen is: de haven op van Porto Novo is simpelweg te klein om er voor anker te gaan. Daarnaast zorgt het tunneleffect tussen beide eilanden ook voor een continu krachtige  wind van veelal 7-8 bft.

Met een groep Nederlandse zeilers gingen we  1 december het Santo Antao verkennen. Bij aankomst op het eiland moesten we eerst met een aantal chauffeurs onderhandelen om ons rond te toeren. Na het selecteren van een chauffeur met een redelijk betrouwbaar uitziend Toyota busje werden we met 13 man in het busje gepropt en begon de rondrit.

De helft van het eiland bleek in de regenschaduw van een bergketen te liggen en daardoor dor en droog te zijn. Maar aan de Noord kant van de centrale bergketen was het eiland prachtig groen. Dat hadden we op de Kaap Verden nog niet meegemaakt. Hoogtepunten van de dag was een bezoek aan een vulkaan midden op het eiland. Binnenin de krater van de vulkaan was een groene vruchtbare vlakte die intensief gebruikt werd voor landbouw. Vanuit deze kraterbodem hebben we een wandeling gemaakt naar de bovenste rand van de krater.

 

 

 

 

 

 

 

Van daar uit bleken we een indrukwekkend uitzicht te hebben op de Noord kant van het eiland en de zee. Een aantal bergwandelaar die we op de kraterrand spraken vertelden dat zij bezig waren met een vierdaagse wandeltocht op het eiland. Ik heb toen ter plekke aan Jessica geappt dat wij met z’n tweeën nog eens naar Mindelo moeten gaan, om van daar uit ook zo’n meerdaagse wandeltocht op Santo Antao te maken.

Na deze kraterwandeling bleef ons taxibusje via een hoogteweg allemaal prachtige plekken bezoeken. Deze tocht eindigde bij het dorpje Ponta do Sol waar we zouden waar de locale vissers net hun vangst aan land brachten en ter plekke schoonmaakten.

 

 

 

 

 

 

 

De laatste reisvoorbereidingen

Het verblijf in Mindelo was een (niet onverwacht) hoogtepunt van mijn zeilreis tot dan toe. Echter aan alles komt een eind. De laatste dagen voordat we zouden beginnen met de overtocht kregen we opeens weer heel druk met het inkopen van nog heel veel boodschappen om de grote oversteek naar Suriname te kunnen aanvangen. De supermarkten bleken ook goed ingespeeld te hebben op de grote hoeveelheden boodschappen die zeilers inkochten. Alle vertrekkers die veel inkochten kregen een winkelmedewerker mee die het winkelwagentje vol met boodschappen tot op de steiger bracht.

Om te voorkomen dat we nare beestjes mee zouden nemen aan boord moest alle verse etenswaren nog wel eerst gewassen worden.

Uiteraard werden de laatste dagen ook de weerberichten goed in de gaten gehouden. Deze bleken echter steeds hetzelfde gunstige weer te beloven.

2 December was het definitief gedaan met de rust en na een bakkerswinkel ongeveer helemaal leeggekocht te hebben en uitgeklaard te hebben, gooiden we te trossen los voor de grote oversteek naar Suriname.

10. Tenerife, La Gomera en de overtocht naar Sal

Santa Cruz

We hebben er een bijna een gewoonte van gemaakt om in het “bijna donker” aan te komen bij een haven. Dit was 23 oktober ook het geval bij aankomst in Santa Cruz, de hoofdstad van Tenerife. Anne, Marjorie en ik legden een half uur na zonsondergang aan in de haven. Met het laatste licht konden we nog net zien waar de boten en de aanlegsteigers lagen. Maar bij het opentrekken van het ankerbiertje om de aankomst te vieren was het echt stikdonker.

Santa Cruz bleek een zeer plezierige mondaine stad te zijn met een fijne marina die midden in het centrum van de aantrekkelijke stad ligt. Je kunt in Santa Cruz heerlijk eten, rondlopen en shoppen, net zo als in een grote Nederlandse stad. Het was een genoegen om er 12 dagen te liggen.

Rondrijden en wandelen op Tenerife

In een huurauto zijn Anne, Marjorie en ik het eiland rondgereden en we hebben er ook een aantal wandelingen gemaakt. Grootste natuurfenomeen van Tenerife is de Teide, een berg van 3717m hoogte. De Teide is daarmee ook gelijk de hoogste berg van heel Spanje. Helaas wat het dag dat we naar de Teide reden mistig, koud en winderig. Daardoor hebben we de top toen niet gezien.

 

 

Het landschap met lavavelden, alleenstaande rotsen  en puimsteen was echter door het ruige weer ook weer heel indrukwekkend. Terwijl het in Santa Cruz heerlijk zonnig was met een temperatuur van 25 graden, liepen we op een winderig, koude, hoogvlakte van 2200m opeens in lange broek, trui en jas bij een temperatuur van 10 graden. Helaas konden we niet naar de top van de Teide omdat je daarvoor al een half jaar van te voren kaartjes had moeten kopen.


 

 

 

 

Op Tenerife was ik tijdens een hardlooptraining helaas zwaar gevallen op een aantal rotsblokken waardoor ik een week lang amper kon lopen. Vanuit mijn hardloopgroep in Houten kreeg ik de terechte terechtwijzing dat ik als 60 jarig het urban trailrunning maar moet overlaten aan soepele 20 jarigen. Ik vrees dat ik echter hardleers ben en binnenkort toch weer de spanning van mooie hardlooptrails ga opzoeken. een aantal dagen met Anne en Marjorie op Tenerife te hebben rondgereden, kon ik hen uitzwaaien. Anne is – samen met mij  – in drie weken tijd  van Madeira naar Gracioza, Lanzerote, Gran Canaria en Tenerife gevaren. Dat was heerlijk en vooral gezellig terwijl we nog lang niet uitgepraat waren.

Een paar dagen na het vertrek van Anne en Marjorie kwamen echtgenote Jessica en mijn zoon Sietse aan boord. Sietse blijft mij enkele maanden gezelschap houden. Met Jessica en Sietse hebben ik ook nog aantal mooie tochten gemaakt op Tenerife. De Teide was gelukkig nu wel uit de wolken en in volle glorie te bewonderen.

Wat eten we onderweg en waar stouwen we de voorraden?

Met opstapster Marjorie had ik op Gran Canaria een hele avond besteed aan het maken van een  van menulijsten voor drie weken. Dit ter voorbereiding van de grote oversteek van drie weken naar Suriname. Dat leverde ook gelijk een boodschappenlijst van drie volle pagina’s op.  Jessica, Sietse en ik hebben het meeste producten van deze lijst in Santa Cruz kunnen inkopen. Sietse en ik hebben daarop nog wel een hele dag moeten besteden aan het bijwerken van de spreadsheets om niet alleen te beschrijven wat we aan voorraden hebben, maar vooral om ook vast te leggen waar we de voorraden hadden opgeborgen. Tijdens de vertrekkersdagen die Sietse en ik een jaar geleden bezochten,  kregen we van de bemanning van de Antaris een prima spreadsheet voor het bijhouden van de voorraden en boodschappenlijsten. Deze “Hedda files” bleken echt zeer nuttig te zijn.

Frustraties bij het uitklaren

De formaliteiten bij het vertrekken uit Europa waren ons nog niet helemaal bekend en daarom gingen Sietse en ik de laatste dag op Santa Cruz naar de havenpolitie om de kennelijk nodige stempels op te halen. Gebleken was dat het op la Gomera niet meer mogelijk zou zijn om uit te klaren. Alle vooroordelen die je maar kunt bedenken ten aanzien van beambten in Zuidelijke oorden bleken van toepassing op de havenpolitie van Santa Cruz.  Een politieman die duidelijk weinig anders te doen had dan het van links naar rechts en van rechts naar links schuiven van steeds dezelfde stapeltjes papier, heeft ons 2 uur bezig gehouden met vooral wachten totdat hij tijd vrij wilde maken. Na afloop van deze vertoning wist Sietse mij te vertellen dat hij op het kantoor van de havenpolitie een lijstje had gezien van strepen, rangen en standen van politieambtenaren en dat hij daarbij had gezien dat de betreffende man de laagste rang had die er was binnen het politieapparaat van Tenerife. Ongetwijfeld probeerde deze ambtenaar met zijn ambtelijke vertragingstactieken zijn eigen status te verhogen.  Frustrerend dus, wetende dat als je je echt gaat opwinden dit alleen maar tot verdere vertraging leidt.

Oversteken naar la Gomera

Na twaalf dagen Santa Cruz was het 4 november tijd om – samen met Jessica en Sietse – te vertrekken richting San Sebastian op het eiland La Gomera. De tussenstop in de onaantrekkelijke Marina San Miguel was daarbij een noodzakelijk kwaad om er twee ontspannen dagtochten van te maken.

Voor de overtocht van Marina San Miguel naar La Gomera waren we gewaarschuwd op de vertrekkers app  voor de accelaratiezones tussen de Zuidwest kust van Tenerife en La Gomera. De dag voordat wij naar la Gomera zouden oversteken kreeg een Nederlandse vertrekkersboot 38 knopen wind voor de kiezen, een dikke 8 Bft! Gewaarschuwd voor deze windstoten gingen wij 5 november met sterk gereefde zeilen op pad. Gelukkig bleek de natuur soms ook mee te zitten. We hebben alleen maar 10-20 knopen wind gehad bij de oversteek. Kortom een heerlijke zeiltocht, waarbij we al snel alle zeilen konden bijzetten.

De zeestraat tussen Tenerife en La Gomera is bekend om de vele walvissen. Diverse malen hebben we die dag pilot whales gezien.Erg spannend was dat helaas niet omdat deze beesten kennelijk aan het slapen waren en daarbij bijna bewegingloos aan de oppervlakte

 

Intermezzo: De vertrekkers netwerken en communiceren op zee en buiten Europa

Contact met andere bemanningen is altijd leuk. Contact met Nederlandse vertrekkers is echter nog veel leuker. Naast gezellig borrelen en kletsen op de steigers of bij elkaar aan boord, is er ook intensief onderling contact via de spontaan gevormde app groep Sailing Dutchies. Het is fijn om te weten waar alle vertrekkersboten liggen, maar nog fijner is het om via de app groep info te krijgen over de wetenswaardigheden van de overtochten en de aankomsthavens. 

Los van Sailing Dutchies app groep is er dit jaar ook een SSB app groep die elkaar van de contactfrequenties en contactmomenten op de SSB op de hoogte houdt.

Misschien ook omdat ik mijn eigen SSB radio nog niet goed aan de praat heb gekregen,  krijg ik de indruk dat de meeste vertrekkers geen SSB radio meer hebben, maar tijdens grotere overtochten vooral de Iridium GO gebruiken voor het binnenhalen van weerberichten en voor telefoon, mail- en sms verkeer. Alhoewel de communicatie via zowel de SSB als de Iridium GO zeer traag gaat en een te ontvangen bestand van 30 Kb opeens een “groot” bestand is,  werkte de Iridium Go simpel en goed tijdens de overtochten. Vooral de combinatie van Iridium Go en het programma PredictWind vind ik erg plezierig. Misschien vooral ook omdat de service afdeling van PredictWind mij op Tenerife uren lang – met engelengeduld – telefonisch geholpen heeft om de hardware en software werkelijk goed aan het draaien te krijgen.  

In landen buiten Europa is het uiteraard verstandig om onze normale communicatieverslaving sterk aan banden te leggen. De nota’s van de Nederlandse providers lopen anders op snel tot astronomische hoogte op als je meer doet dan de magere dagbundels die deze Nederlandse providers buiten Europa aanbieden.

Op de Kaap Verden bleek het gelukkig mogelijk te zijn om een lokaal telefoonkaartje van 6 GB te kopen waardoor we toch weer goedkoop kunnen mailen, internetten en appen. Dit zullen we in elk volgende (ei)land weer opnieuw moeten uitzoeken.

San Sebastian de la Gomera

Tegen alle gewoontes in kwamen we al halverwege de middag aan in San Sebastian. Dit stadje is de hoofdstad van het kleine eiland La Gomera. De haven ligt feeëriek midden in het kleurrijke en gezellige stadje. In de marina bleek bij aankomst al zes andere Nederlandse vertrekkersboten te liggen. De meeste bemanningen kenden we al van eerdere haven, maar het was ook heerlijk om weer met een aantal nieuwe bemanningen kennis te maken die we alleen qua naam kenden van de vertrekkersapp. Omdat vanuit La Gomera de meeste boten vertrekken voor langere overtochten, werd ook veel gesproken over de laatste weerberichten en over het ideale vertrekmoment richting de Kaap Verden of de Caraïben.

Omdat we op Tenerife al veel hadden ingekocht, hoefden we in San Sebastian  alleen nog maar  de laatste verse producten in te kopen die we nodig hadden voor de overtocht naar de Kaap Verden. Het vers gekochte fruit en de groenten stalden Sietse en ik trots in het net dat we speciaal daarvoor in de kajuit hadden opgehangen.

Rondtochten op het eiland

La Gomera is een bekend wandelaarseiland.  Alhoewel er veel wandelpaden waren, vonden we het eiland leuk, mooi, maar niet héél erg mooi. Wellicht kwam dat vooral omdat we een aantal dagen matig, bewolkt, weer hadden. Dat zorgde in de bossen op de bergen voor mist en veel vochtigheid.
Gelukkig konden we de laatste dag dat Jessica aanwezig was nog wel een mooie wandeltocht maken rond de top van het eiland. Dat leverde een prachtig 360 graden uitzicht op, waarbij we Gran Canaria, Tenerife, La Palma en El Hiero konden zien liggen. De Teide op Tenerife was die dag ook nog geheel zonder wolken te aanschouwen.

 

 

 

 

 

 

 

De oversteek na de Kaap Verden.

Nadat Jessica weer vertrokken was richting Nederland konden Sietse en ik, samen met de nieuwste opstapper Erik, ons klaar maken voor de overtocht van 6-7 dagen.
De weerberichten die we hadden opgehaald beloofden redelijk goed weer, met halverwege de overtocht een stevige wind en de laatste twee dagen  van de overtocht maar 10 knopen wind. Omdat je nooit aan de overkant komt als je maar blijft wachten op nog beter weer, maar vooral ook omdat de weerberichten bij een later vertrekmoment steeds minder goed werden, besloten we op 11 november, de dag na aankomst van Erik,  maar gelijk te vertrekken voor de langste overtocht die ik ooit gemaakt had.

Behalve de eerste dag en de laatste dag zie je dan 5 dagen alleen maar zee.  Dat betekent ook dat je terugschakelt naar een heel rustig leefschema. Dat bestaat slechts uit slapen, wachthouden, boekje lezen, weerbericht ophalen, om je heen kijken, kletsen en vooral (lekker) eten. Na een eerste anderhalve dag begin je in een heel rustig ritme te komen, waarbij je de hele dag bezig kunt zijn met de weinige dingen die gedaan moeten worden en waarbij je ook niet steeds denkt aan het aankomen op de volgende bestemming. De wereld wordt dan wel heel overzichtelijk op een zeilboot van 11 meter. Opmerkelijk onderdeel van de dagelijkse routine werd ook het dagelijks in zee gooien van dode vliegende vissen en octopussen welke ’s nachts aan boord beland zijn.

Intermezzo: wachtlopen

Tijdens de grote overtochten wordt er ’s nachts uiteraard gewoon door gezeild.

Tot deze overtocht zeilde ik met een wachtschema waarbij je elkaar om de drie uur aflost. Omdat je met twee personen ‘s nachts dan toch wat te weinig slaap krijgt, moest je overdag, om de beurt, ook nog even wat bijslapen. Met drie opstappers werd het wachtlopen een stuk ontspannener. We besloten een schema aan te houden waarbij één persoon wacht liep van 21:00-24:00u én van 6:00 tot 9:00 uur. De twee andere zeilers hoefden dan maar drie uur wacht te lopen (of van 00:00-3:00 u, of van 3:00-6:00u). Als je maar 3 uur hoeft wacht te lopen kon je uiteraard ook  negen uur heerlijk slapen terwijl de man met twee wachtbeurten maar 6 uur kon slapen. Uiteraard wisselden we  wel steeds door in dit schema, waardoor je om de drie dagen twee wachtbuurten in een nacht kreeg We hebben dit schema als zeer plezierig ervaren. De persoon met twee wachtdiensten had immers wel het geluk dat het tijdens zijn tweede wacht al licht werd, waardoor die wachtbeurt toch niet als zwaar ervaren werd.

We spraken ook met elkaar af dat als er ’s nachts wat moest gebeuren buiten de kuip (bijvoorbeeld bij het reven van het grootzeil of bij gijpen) een van de slapers wakkergemaakt zou worden voor ondersteuning. Dit vooral om te voorkomen dat er ongelukken zouden gebeuren waarbij iemand over boord zou kunnen vallen zonder dat de anderen dat zouden merken. Ook had de persoon die ’s nachts wacht liep altijd een zwemvest aan. Als er iets bij de mast moest gebeuren, dan verplichten we onszelf ook om dat altijd aangelijnd te doen. Gelukkig was niet alleen mogelijk om dit af te spreken, maar we konden het ook goed van elkaar hebben als we elkaar aanspraken  op het vasthouden van deze regels. Dat gaf veel vertrouwen in elkaar en daardoor ook een groot gevoel van veiligheid. Dit was heel fijn en vooral geruststellend  tijdens de nachten met stevig weer.

Stevig weer

Zoals geschreven zou het halverwege de overtocht wat steviger gaan waaien. Voorspeld was een windkracht 5 met soms wat kleine uitschieters.  Op de windmeter zagen we echter in die 2 dagen vooral 18-25 knopen wind met uitschieters van 35 knopen. Dus een vaak 6 Bft met uitschieters van 8 Bft. De golven groeiden daarbij ook tot watermuren van 3-4 meter. Dat klinkt allemaal best wel heftig en zo ervaarden we dat de eerste uren ook. Zelf had ik nog nooit zo ruig weer meegemaakt op zee.

Het bleek echter dat de boot dit weer en de zeegang prima aankon. De boot zeilde en deinde rustig over alle golven zonder dat er water aan boord kwam. Omdat de wind ook steeds schuin van achteren inkwam, bleef de boot ook redelijk recht overeind zeilen. Geleidelijk leer je dan te vertrouwen op de boot waardoor we alle drie ’s nachts ook durfden – en konden – slapen als we geen wacht had.

Aankomst op Sal

Zoals bekend komt na regen zonneschijn en zo komt na een stevige wind ook perioden met rustig weer. De laatste anderhalve dag van de overtocht werd het wind zelfs zo rustig dat we de motor er bij aanzetten om toch nog wat voortgang te maken

Zaterdag 17 november, om 18:00 u lokale tijd, konden we het anker laten vallen in de haven van Palmeira op het eiland Sal. We hadden de 760 mijl afgelegd in 151 uur, een gemiddelde dus van 5 mijl per uur. Dit gemiddelde is natuurlijk wel wat vertekend doordat we, vooral de laatste 2 dagen,  de motor steeds bijgezet hebben. Omdat het om 18:00 u op Sal al heel donker werd, konden we – volgens gewoonte – ons eerste biertje pas opentrekken toen het pikkedonker was.

9. De Canarische eilanden (deel 1)

Graciosa, een klein pareltje

In mijn vorige blog schreef dat opstapper Anne en ik al dat ik Graciosa als eerste Canarische eiland heb aangedaan. Graciosa is een heel klein eilandje vlak boven Lanzerote. Het heerlijke van dit eilandje is dat het eigenlijk niets voorstelt. Schiermonnikoog is, vergeleken met Graciosa, een soort van reuzeneiland. Graciosa heeft een klein dorpje met wat vakantiehuisjes, restaurantjes, een klein winkeltje, een jachthaven en de Francesca baai om in te ankeren.  Er zijn zeven wegen op het eiland, maar dat zijn niet verharde zandwegen die eigenlijk alleen toegankelijk zijn met een Landrover of per mountainbike. Ook alle straatjes in het dorpje waren onverhard.

Heel bijzonder om dit totale “niets” te ervaren, terwijl het super toeristische Lanzerote slechts op een kilometer ligt.

Op 11 oktober kwamen we, aan het begin van de avond, aan in het dorpje. Onze bedoeling was om in de jachthaven van Graciosa te gaan liggen. Maar terwijl we ons klaar maakten om in een van de lege boxen te gaan liggen, kwam er een boos schreeuwende havenmeester naar ons toe met de mededeling dat de haven vol was en dat we onder geen enkel voorwaarde mochten aanleggen in een van de lege boxen. We wisten dat de kans aanwezig was dat de haven vol zou zijn en dus hadden we van te voren al een aantal argumenten voorbereid om te voorkomen dat we weg geblaft zouden worden. Maar deze argumenten hielpen allemaal niet en we moesten verdwijnen. Daarop zijn we maar overgestapt naar “plan B”: ankeren in de Francesca Baai. Terwijl de zon al aan het ondergaan was, gingen we daar voor anker gegaan. Dat bleek een fantastisch “plan B” te zijn. Het was er totaal rustig en toen het donker werd konden we – met een biertje in de hand – van een fantastische sterrenhemel en de Melkweg genieten.

De volgende ochtend werd het nog leuker toen we als ochtenddouche simpelweg vanaf de boot in het kristalheldere water sprongen. Nog mooier werd het toen Anne en ik de duikbril opzetten en we opeens konden zien dat alleen al om de boot honderden prachtige vissen zwommen. Zo mooi snorkelen had ik nog niet meegemaakt tijdens de reis!

Na deze zwempartij zijn we naar de kant geroeid en daarna over de “hoofdzandweg” van het eiland naar het dorpje gewandeld. Op zich was het  dorpje niets bijzonder, maar met een lunch op een mooi terras met een heerlijk verkoelend biertje bij de hand is altijd goed. Na de lunch hebben Anne en ik twee mountainbikes gehuurd om het eiland te verkennen. Gelukkig waren het goed geveerde fietsen, want een deel van de wegen was eigenlijk niets anders dan een “wasbord” waar je over heen stuiterde. Tegenover dit relatieve ongemak stond echter het geweldig landschap. De foto’s zullen overtuigend zijn.

 

 


 



De verassingen van Lanzarote

Na op 13 oktober eerst weer gesnorkeld te hebben in de Francesco baai, zijn we anker op  gegaan en vertrokken richting Lanzerote. Alhoewel we meenden dat we in Arrecife op een juiste wijze per mail een ligplek hadden gereserveerd, werden we weer beleefd verteld dat de marina van Arrecife vol was en we maar 8 mijl door moesten varen naar Puerto Calero. Dat bleek een groot, nieuw, recreatiepark te zijn met honderden vakantiehuisjes, een marina en een groot aantal restaurant en winkeltjes.  Niet heel erg bijzonder maar een prima uitvalsbasis om in twee dagen Lanzerote te verkennen. In Puerto Calero stapte Marjorie ook op, de echtgenote van Anne.

Opvallend was wel dat in het recreatiepark de zeilers en de mensen van de vakantiewoningen in het totaal niet mengden of op elkaar leken. De zeilers zijn altijd eenvoudig te herkennen aan korte broek, t shirt en slippers of sandalen aan de voeten. De vooral Engelse badgasten liepen altijd keurig gekleed, gekapt en opgemaakt rond, veelal in smetteloos schone, witte, kleren.

De eerste rondkijkdag op Lanzarote zijn we met z’n drieën in een huurauto naar het Oosten van Lanzerote gegaan. De wegen waren vol met huurauto’s en autobussen die weer vol zaten met mensen van de cruiseschepen. Iedereen bezocht kennelijk – in een grote optocht – dezelfde toeristische hoogtepunten. Een van de “hoogtepunten” van de toeristische attracties van Lanzerote was een uitzicht punt met een prachtig zicht op Graciosa. Dieptepunt van het massatoerisme aldaar was dat je om naar dit uitzichtpunt te gaan, kaartjes van euro 5 p/p moest kopen. Honderden huurauto’s en autobussen stonden er al op het parkeerterrein voor het uitzicht punt kennelijk om allemaal voor 5 euro p/p naar een eiland te kijken waar Anne en ik net vandaan kwamen.. Ik vond dit een toppunt van geldklopperij waaraan ik niet mee wilde doen. Gelukkig bleek dat je 200 m verderop van hetzelfde uitzicht op Graciosa kon genieten, maar dan gratis en in alle rust.

De tweede dag van ons verblijf op Lanzerote bleken de vulkanen en lavavelden van de Parque Nacional de Timanfaya opeens van een onvergetelijke schoonheid te zijn. De verlatenheid, dorheid en doodsheid omgeving deed me sterk aan een maanlandschap denken.

 

 

 

Problemen bij de overtocht naar Gran Canaria.

16 oktober zijn we ’s middags vanuit Puerto Calero vertrokken richting Las Pas Palmas, de hoofdstad van het eiland Gran Canaria. Het was een overtocht van iets minder dan 100 mijl die we in iets minder dan 24 uur hebben gezeild. In alle boeken en artikelen over zeilen op de Canarische eilanden wordt iedereen gewaarschuwd voor de zgn. accelatiezones aan de Zuid West kant van de eilanden. Dat zijn gebieden waar de wind zomaar opeens 10 knopen sterker wordt. Omdat wij met een rustig windje vertrokken, viel het effect van de accelaratiezone van Lanzerote wel mee. De rustige bakstagwind trok wel opeens aan tot 20 knopen, maar we zagen dit op het water prima aankomen. Vlak nadat het echt donker werd trok de wind toch opnieuw weer aan en daarom wilden we het grootzeil toch maar wat reven. Door een miscommunicatie tussen Anne en mij ging dat niet helemaal goed. In plaats van tegen de wind in te liggen, draaide de boot helemaal door. Doordat ik de valstoppers van het grootzeil inmiddels al open had gezet, vloog de lijn die de onderlijktrekker genoemd wordt niet alleen uit de klem, maar ook volledig uit de giek. Na mezelf goed gezekerd te hebben ben ik naar voren gelopen en heb ik dit nog getracht te repareren. Ik kon echter al snel vaststellen  dat het opnieuw inrijgen van de lijn door de giek heen midden op zee niet zou lukken. Daarop hebben we het grootzeil maar helemaal ingetrokken en zijn we de rest van deze oversteek alleen op de genua verder gezeild. Omdat er steeds meer dan 20 knopen wind stond (meestal een 6 Beaufort) was dit niet zo’n groot probleem. De boot bleef op de genua steeds redelijk comfortabel 5-5,5 knopen varen.

Las Palmas op Gran Canaria

De volgende dag kwamen we rond 14:00u aan in Las Palmas. Deze mega jachthaven heeft 1200 plekken, maar de haven was zich inmiddels aan het voorbereiden om alle boten te ontvangen die aan de ARC rally zou gaan meevaren.

Intermezzo: de ARC

1986 wordt er door de ARC-organisatie een collectieve oversteek georganiseerd  van Las Palmas naar Santa Lucia. Jaarlijks doen daar honderden boten aan mee, die dit jaar allemaal tegelijk op 25 november vertrekken vanuit Las Palmas. Inmiddels is er ook een “ARC+” rally ontstaan. Dan vertrekken de boten op 11 november uit Las Palmas richting Mindelo op de Kaap Verden om van daaruit op 21 november te vertrekken naar Santa Lucia. In de weken voor deze vertrekdagen komen alle ARC zeilers binnenvaren op Las Palmas. In deze voorbereidingsweken  voor het vertrek krijgen de ARC deelnemers nog een aantal trainingen aangeboden en worden de boten van alle deelnemers onderworpen aan een strenge technische keuring. Omdat ik afgelopen jaren zelf al veel trainingen had gevolgd en omdat ik al voldoende geïnvesteerd had in het verbeteren van de boot, wist ik dat het meedoen aan de ARC voor mij geen groot voordeel zou hebben. Vooral ook omdat ik middels de inmiddels gevormde app groep van/voor Nederlandse vertrekken steeds op de hoogte blijf waar iedereen uithangt. Een deel van de vertrekkers heeft – net zo als ik – een SSB radio. Daardoor zal ik ook tijdens de oversteek in staat zijn om met een aantal vertrekkers dagelijks contact te onderhouden. Ook daar heb ik de ARC dus niet voor nodig. 

We hadden vooraf telefonisch contact gehad met de marina van Las Palmas, waarbij we te horen kregen dat het reserveren van een ligplaats in Las Palmas niet kon, maar dat we altijd wel 1-3 nachten zouden mogen blijven liggen in deze marina. Gelukkig bleken we ter plekke meteen 5 nachten te kunnen boeken.

Las Palmas bleek een grote stad te zijn, met heel veel mannetjes, winkeltjes en bedrijven voor het faciliteren van zeilboten in de marina. Gelukkig hadden we dit allemaal niet nodig voor het inrijgen van de onderlijktrekker.
De dag na onze aankomst konden we met wat passen en meten zelf de onderlijktrekker weer opnieuw door de giek konden trekken. Een heerlijk klusje waarbij we de giek wel moesten demonteren. Wat visdraad en een gewichtje waren vervolgens voldoende om eerst een hulptouwtje door de giek te trekken, waarmee we vervolgens met de visdraad de onderlijktrekker eenvoudig door de giek konden trekken.

Zoals in elke grote stad in de Canarische eilanden lag ook in Las Palmas dagelijks wel een of twee grote cruiseschepen aan de wal.

Intermezzo: Cruiseschepen

Meestal komen deze drijvende flatgebouwen ’s ochtends vroeg aan om dagelijks duizenden cruisetoeristen middels excursies de eilanden rond te leiden. ’s Avonds verlaten de cruisesschepen de haven weer om ‘s nachts naar een volgende locatie te varen. Het is best indrukwekkende om op de marifoon te horen dat een cruiseschepen een haven verlaat met 4000 gasten en 2000 bemanningsleden aan boord.  Omdat de cruisetoeristen overdag vermaakt moeten worden, staan er alle dagen ’s ochtends tientallen autobussen klaar bij de cruiseschepen om de gasten snel langs alle toeristische hoogtepunten  van het eiland leiden. Ook waren in alle havensteden vele restaurantjes bij de haven om de vele cruisegasten van eten en drinken te voorzien.

Vooralsnog lijkt me zo’n cruise afschuwelijk, maar misschien denk ik daar wel anders over als ik zelf ook 80 jaar oud ben.

Na wat geklus en gewas op de boot was er gelukkig ook ruim tijd om het eiland Gran Canaria te verkennen. Met bergen tot 1800m hoog was ook dit eiland zeer de moeite waard met prachtige uitzichten vanaf indrukwekkende rotsen.

Probleemloze oversteek van las Palmas  naar Santa Cruz op Tenerife

Na bijna een week op Gran Canaria gelegen te hebben zijn we 23 oktober in een stevige dagtocht overgestoken van Gran Canaria naar Santa Cruz op Tenerife. Een fijne tocht met opnieuw prachtig weer. Doordat er wat weinig wind stond hebben we helaas wel steeds de motor aan moeten laten staan. Daardoor konden we – nog net voordat het pikdonker werd – in Marina Santa Cruz aanmeren. Aldaar hadden we ons al door Guido van de Morgaine direct laten uitnodigen voor een “ ankerbiertje”.

8. Madeira en de oversteek naar de Canarische eilanden

In mijn vorige blog heb ik in de overtreffende trap gesproken over het eilandje Porto Santo. En terecht, het was er prachtig. Ik was er een beetje bang voor dat Porto Santo niet meer overtroffen kon worden door Madeira of de Canarische eilanden. Ik ben daar echter toch een beetje over gaan twijfelen. Ik heb twee weken in Funchal gelegen en ik heb er elke dag genoten!

Aankomst in Funchal

25 september ben ik van Porto Santo naar Funchal gezeild. Een overtocht van 40 mijl in mijn eentje met wisselend weer maar wel met een rustig bakstag windje. De boot zeilt dan niet heel snel maar wel erg comfortabel zodat je rustig een boekje kunt lezen of lekker om je heen kunt kijken.

Guido van de Morgaine lag al in de oude haven van Funchal en hij had gelukkig een ligplaats voor mij kunnen reserveren. Ik had eerder al begrepen dat het niet zo makkelijk is om een ligplaats te krijgen in de oude haven van Funchal, dus toen Guido dat toch bleek kunnen regelen, heb ik mijn voornemen om eerst naar Quinto do Lorde te gaan maar laten varen. Op weg naar Funchal voer ik wel langs Quinto do Lorde en ik was blij dat ik dat maar had overgeslagen. Het leek mij een sfeerloos, nieuwbouw, vakantiepark met een marina te zijn.

Funchal bleek echt veel leuker te zijn. De oude haven is het middelpunt van het bruisende centrum van Funchal.
Heel iets anders dan de rust van Porto Santo, maar het was toch heerlijk om elke ochtend  even over de boulevard naar een goede bakker te kunnen lopen voor een vers broodje en om een ruime keuze te hebben aan restaurants, leuke barretjes en supermarkten.

De sfeer in de haven was heerlijk. Je kletst regelmatig wat met vertrekkers van alle landen. Maar ook de lokale vissers en schippers van de toeristenboten wilden altijd wel hun verhaaltje kwijt. Zelfs de agenten van de lokale militaire politie leken wel op de Nederlandse politieschool te hebben gestudeerd: gewoon heel vriendelijk en toegankelijk.

Bij aankomst op 25 september bleek ik wel dubbel met de Morgaine aan de kade te liggen. Gestapeld liggen met de Morgaine was wel gezellig maar niet heel erg comfortabel. Dit omdat bij eb de vaste kademuur opeens twee meter hoger lag dan de boot.  Je kon dan alleen met een wankel laddertje vanuit de Morgaine de twee meter naar de kade opklimmen. Gelukkig kon ik de tweede dag verkassen naar een ligplaats aan een drijvende stijger. Deze drijfsteiger stijgt en daalt – samen met de Atropos – met de vloed en eb mee. Je hebt zo geen last meer van lastige klauterpartijen om op de wal te komen.

Een weekend in Frankrijk

Ik ga elk jaar het laatste weekend van september met een groep vrienden op stap naar we het “wijnweekend” zijn gaan noemen. Omdat we dit jaar voor de 25ekeer een dergelijk weekend organiseerden hadden we vorig jaar al besloten omdat het dit jaar extra feestelijk te doen in de Champagnestreek. Voor mij betekende dat vrijdag 27 september vroeg opstaan om van Madeira naar Parijs te vliegen en om daar met een huurauto naar Epernay te gaan. Daar zouden ik mijn vrienden en ook echtgenote Jessica treffen. Vliegen naar Parijs is niet zo moeilijk. Gewoon lang zitten en berusten in de te kleine stoelen met te weinig beenruimte. Echter autorijden in Parijs was wel heftig enerverend. Vanuit de parkeergarage van het vliegveld Orly ging ik gelijk de Boulevard Periferique op. Dat is vrijdag om 17:00 u gewoon een soort van oorlogsgebied. Iedereen in Parijs wil dan kennelijk zo snel mogelijk naar huis. In Nederland had ik al heel wat fileleed meegemaakt, maar in Parijs meenden de mensen dat toch anders in te moeten vullen dan ik gewend was. Op de 3 banen van de Boulevard Periferique  die naar het Noorden gingen, slingerde elke Fransoos zijn auto van links naar recht over alle de drie banen in de hoop daardoor misschien wel 10 seconden tijdwinst te boeken. Elkaar daarbij afsnijden was simpelweg de norm. Los van de auto’s meenden de vele motorrijden dat de 3 banen van de Boulevard Periferique gemakkelijk omgezet konden worden in 5 banen. Dus crosten de motorrijders met grote snelheid en een zekere doodsverlangen tussen alle verkeersbanen door, uiteraard ook weer heftig slingerend om auto’s nog net te ontwijken. De A2 tussen Utrecht en Amsterdam in filetijd lijkt dan opeens een rustige, maar wel wat brede, landweg te zijn.

Het weekend zelf bleek waanzinnig leuk te zijn. het bezoek aan een kleine wijnboer(in) die op 3 ha haar eigen champagne maakte was zeer geslaagd. We proefden midden in de wijnvelden een  heerlijk en betaalbare champagne en we kregen daarbij ook nog een eenvoudige, maar overdadige, lunch. Als tegenwicht voor de kleine wijnboer zijn we dat weekend ook naar een rondleiding bij het beroemde champagnehuis van Moet Chandon gegaan. Dat was een beetje een afknapper. Een te gelikte presentatie door een te opgedofte dame en daarbij twee kleine glaasjes champagne staken bleek af bij de sfeer en gulheid van de proeverij van eerder dat weekend bij de boerin.  Die zondag we gelukkig ook tijd om de kathedraal van Reims te hebben bewonderd. Daarna vlogen Jessica en ik zondagmiddag terug naar Madeira om daar samen verder van het eiland te genieten.

Wandelen

Madeira staat misschien bekend als en beetje oubollig bloemeneiland, maar dat bleek toch een verkeerde inschatting. Jessica en ik houden enorm van bergwandelen en we bleken op Madeira in een van de meest woeste berggebieden te zijn aangekomen die we ooit bezocht hebben.
De eerste wandel dag hebben we de Oostkant van het eiland bezocht.               Je loopt dan over smalle graatjes met links en rechts van ons hele steile kliffen die honderd meter lager in een woeste oceaan eindigden. Dat was overdonderend. Alhoewel we beiden geen hoogtevrees hebben en behoorlijk “trittsicher” kunnen lopen, waren we opeen wel blij met kleine hekwerkjes links en rechts van het pand.

De volgende dagen hebben we vooral  rond en op de Pico Ruivo van 1800m gelopen. Eigenlijk zijn dit bergen zoals je die alleen in je dromen ziet: het zijn bergen met onmetelijk diepe afgronden en oneindig hoge en steile pieken.

De wandelpaden waren kunstig in dit berggebied aangelegd. Soms vlak, maar meestal heel stijl. En als een pad soms niet meer mogelijk was, dan was er simpel een tunnel gegraven van 100-200m, die dwars door een bergketen heen ging.


Uiteraard hebben we ook nog een wandeling gedaan langs de lokale waterpaden, de zgn. lavada’s. Op zich is dat wel leuk en de watervallen die we zagen waren prachtig, maar de paden lopen wel heel vlak waardoor we de “spanning” van het bergwandelen wel wat misten.

Alhoewel we in oktober in Madeira rondliepen, bleek de kwalificatie van het eiland als bloemeneiland ook nog steeds terecht te zijn. Op 500-1000m hoogte stonden de tuinplanten waar ik in een Nederlands tuincentrum veel geld voor betaal nog vrolijk in het wild in bloei


Avontuur

Op Porto Santo hadden we al gehoord dat de bemanning van de Lola hun schroef verloren waren tussen Portugal en Madeira. Zonder een schroef was het lastig aanleggen in een drukke haven waardoor de Lola door een reddingsboot naar binnengesleept moest worden. Alhoewel we de bemanning van de Lola nog nooit ontmoet hadden, hadden we al wel per mail contact gehad en hadden we afgesproken dat Jessica vanuit Nederland een vervangende schroef zou meenemen voor de Lola. Deze schroef kon gelijk nadat we in Madeira aankwamen door een professionele duiker gemonteerd worden. Daarna bleek dat volgens de lokale havenautoriteiten alsnog heel veel “fus” maakten en onmogelijke bureaucratische voorwaarden stelden om de Lola weer vaarklaar te verklaren. Ik weet niet hoe de Lola dit Kafka traject met de havenautoriteiten precies heeft opgelost, maar ik geloof dat ik ’s nachts gewoon zou zijn weggevaren. Vooral omdat de lokale havenpolitie en de mensen van de marina elke avond stipt om 19:30 naar huis ging.

Overtocht  met huricane dreiging

Inmiddels was 4 oktober mijn roeimaat Anne ook aangekomen op Madeira. De eerste dag hebben we hem meteen meegenomen naar de hoogste pieken van Madeira. Dit bleek zoveel adrenaline op te leveren dat hij geen last meer heeft gehad van vermoeidheid of  jetlag.

Na Jessica weer naar het vliegtuig te hebben gebracht en na de boot schoonmaakt en bevoorraad te hebben, waren Anne en ik klaar voor de volgende meerdaagse tocht.

 

 

De oversteek van Madeira naar Graciosa op de Canarische eilanden stond op het programma. Met de bemanning van de Nederlandse zeilboot Eaumega  hebben we samen vaak  naar alle beschikbare weerkaartjes gekeken.
Dit vooral omdat er rond de dagen van de overtocht een hurricane met de naam “Leslie” op de loer lag. Een aantal voorspellingen gaven aan dat die over  Madeira zou trekken. Na overleg met weerman Henk Huizinga besloten Anne en ik voor komst van de hurricane uit te vertrekken richting Graciosa. Op de weerkaarten en gribfiles leek dit een goede en veilige optie. Op deze kaartjes waren geen fronten of grote windversnellingen te zien op de geplande route. Een aantal dagen wachten leek – in verband met de dreiging van Leslie – zelfs een minder goed alternatief. Onze keuze bleek gelukkig een goede beslissing te zijn. We hebben heerlijk gezeild en soms moest bij gebrek aan wind de motor even aan. Zonder veel problemen hebben we de 270 mijl van de overtocht in 2,5 dag gevaren

Helaas bleek bij aankomst op Graciosa dat de lokale jachthaven van eiland vol was.
In mijn volgende blog wordt duidelijk waarom we achteraf blij waren dat dat de jachthaven vol was, waardoor we naar een geweldige ankerbaai moesten uitwijken op Graciosa.

 

 

7. De oversteek naar Porto Santo en over Porto Santo

Over de oversteek naar Porto Santo is eigenlijk niet zo heel veel te vertellen. Er gebeurd maar heel weinig tijdens zo’n overtocht. Eerst maar wat gegevens.

  • Het was een overtocht van ca. 460 mijl ofwel 830 km;
  • Jim en ik zijn 15 september om 15:00 vertrokken uit Portimão;
  • We kwamen op 19 september om 10:30 aan in de haven van Porto Santo;
  • Dat betekent dat we iets minder dan 4 dagen op zee zaten en we met een gemiddelde snelheid van net iets meer dan 5 knopen per uur hebben gevaren.

De voorbereiding

In Portimão hadden we de dag voor ons vertrek een auto gehuurd. Dat betekende dat we tassen vol met boodschappen konden kopen, inladen en uitladen zonder ons een breuk te hoeven sjouwen.  Ook begonnen we de dagen voor vertrek steeds vaker naar de weerberichten te kijken. De gebruikelijk weerapps zoals die van Windfinder werken niet zo goed op zee. Deze apps geven immers alleen het weer aan op het strand van Portimão en op het strand van Porto Santo. Dit terwijl wij vooral geïnteresseerd waren in het weer onderweg in de vier dagen tussen vertrek en aankomst. Daarom bekeken we vooral weerkaarten voor vier dagen met daarop isobaren en de koude- en warmtefronten. Ook verzamelden we de kaarten met gribfiles die voor een aantal dagen de windrichting en -sterkte aangeven voor het hele zeegebied tussen Portimão en Porto Santo. De dag voor het vertrek heb ik mijn weerdocent Henk Huizinga van Nimos Meteo nog een app bericht gestuurd met te vraag of hij het eens was met mijn bevindingen dat het een rustige oversteek zou worden. Gelukkig kreeg ik bijna per kerende post een bevestigend antwoord van Henk.

 Het vertrek

De eerste paar uur na ons vertrek uit Portimão zagen we de kuststrook nog steeds en gedurende de eerste twee uur konden we nog een aantal app berichten versturen. Na 5-6 uur varen zagen we echter alleen nog maar “zee”.  Zodra het donker werd zagen we zelfs de zee niet meer.

Het zeilen

We konden bijna de hele tocht genieten van de gebruikelijke “Nortada”, een stabiele wind uit het Noorden. Doordat wij  richting het Zuid Westen koersten hadden we steeds een lekkere ruim invallende  wind. De boot vaart  dan steeds comfortabel rechtop. De tweede dag van de tocht hebben we zelfs grotendeels met de 120 m2 grote gennaker op gevaren. Heerlijk om dit grote zeil op te zetten en dan met 6 knopen door het water te spuiten.  Om niet midden in de nacht misschien in de problemen te komen als de wind onverwacht zou aantrekken deden we ‘s avonds de gennaker wel weer naar beneden.  De derde dag was de wind sterk genoeg om steeds  met een snelheid van 5-6 knopen onder vol tuig te varen. Daarna was de pret voor wat betreft de wind een beetje op. Dat was ook wel voorspeld in de weerberichten. Dat betekende dat we de laatste anderhalve dag meestal op de motor moesten varen. Als we het gedreun van de motor een beetje zat waren, gingen de zeilen toch weer een paar uur op en namen we de lagere snelheid maar voor lief.

De luchttemperatuur bleef de hele tocht  plezierig. Alle dagen hadden we overdag mooi zonnig weer. Tijdens het wachtlopen ’s nachts deden we nog wel een trui en een lange broek aan. Echter daar waar we op de Noordzee en de Golf van Biskaije ’s nachts nog wel eens een zeilpak moesten aandoen, was dat nu ook ’s nachts niet meer nodig.

Wat deden we onderweg?

Alhoewel er eigenlijk weinig te zien is op zee, bleven we urenlang gewoon naar de golven kijken. Op de tweede dag hebben we nog wel een aantal vrachtboten dicht om ons heen zien varen, maar daarna kwam er hoogstens om de paar uur een vrachtboot op vele mijlen afstand langs zetten.

We hebben wel veel gelezen, maar dat is toch niet altijd makkelijk te combineren met het in de gaten houden van de boot en de omgeving. Alhoewel je op zee weinig  ziet en weinig doet, blijkt zeilen wel een geconcentreerde vorm van “niets doen”  te zijn. Daardoor is lezen best lastig.

Ook fotograferen onderweg wordt door een gebrek aan onderwerpen steeds lastiger, Jim werd daarom maar omgetoverd tot fotomodel. Natuurlijk waren er dagelijks ook een paar hoogtepunten. De eerst dag hebben we een uur lang naar een groep dolfijnen gekeken die voor de boeg bleven spelen. Klik voor een filmpje van de dolfijnen even op de naaststaande link.IMG_1948

Absoluut dagelijks hoogtepunt was natuurlijk het warme eten. Omdat deze overtocht maar 4 dagen duurde, konden we elke dag nog een maaltijd maken met veel verse ingrediënten. Als leermoment voor de lange overtochten heb ik bijvoorbeeld een vissaus gemaakt van een aantal blikjes bacelhau, een roomsaus, verse groenten en rijst. Ook de vegetarische dal bhat, met rijst, linzen en een groentecurry was veelbelovend lekker.

Navigeren

Het navigeren was onderweg heel simpel. Bij het verlaten van de haven van Portimão konden we bijna gelijk een koers van 240 graden uitzetten welke koers we vervolgens (lees vooral: de stuurautomaat)  bijna 4 dagen volgden. Daarbij verplichten we onszelf wel om elk uur de positie in het logboek op te schrijven en om de 3 uur hebben we de positie ook nog in de papieren kaart gezet. Omdat de ideale koerslijn ook op de plotter zichtbaar is, hoefden we eigenlijk alleen maar op de plotter en de kaart te controleren of de feitelijke positie niet te ver van de uigezette koerslijn af komt te liggen. Door de invloed van eb en vloed moesten we om de paar uur de koers op de stuurautomaat een paar graden bijstellen.

De nachten en het wachtlopen.

Rond 21:00u ging steeds de eerst van ons naar bed, daarna wisselden we , tot de volgende dag 9:00u, consequent door om de drie uur Dat betekent dat Jim en ik eigenlijk ieder maar 6 uur sliepen. Overdag deden we daarom beiden ook nog even de ogen dicht om voldoende slaap te krijgen. Natuurlijk slaap je in de boot niet zo lekker en diep als thuis, maar omdat de boot rustig en rechtop zeilde rustten we wel goed uit.

Scheepvaart zorgt normaal ‘s nachts voor een heerlijke afleiding, maar daarvan konden we tijdens deze overtocht maar weinig genieten. Dit omdat er maar weinig scheepvaart was. De eerste dag werden we nog wel opgeroepen door een boot van de Portugese marine met het verzoek om uit te wijken tot 2 mijl afstand. Alhoewel we geen voorrangsregel kenden die ons daartoe verplicht, vonden we dat we toch maar aan dit verzoek moesten voldoen. Marinevaartuigen varen ’s nachts onverlicht en ze zijn ook met AIS en radar niet te ontdekken. Dan is het maar beter om niet te dicht in de buurt te komen.  We zijn als een op kleine zeilboot immers iets kwetsbaarder dan de vuurtoren in een discussie met de US Marine in het bekende youtube filmpje:

https://www.youtube.com/watch?v=s94fQtFIxyo

De aankomst

Het heerlijkste deel van elke oversteek vind ik persoonlijk het “aankomen”.

Ruim 6 uur voor aankomst, nog in het pikkedonker, zagen we voor het eerst de vuurtoren van Porto Santo. Nog leuker werd het toen het ’s ochtends begon te schemeren en je jezelf begon af te vragen of je in de schemering een wolk zag of dat het Porto Santo al is.

Uiteraard is het dan ook weer fijn om het thuisfront een app bericht te sturen van ongeschoren gezichten met het eiland op de achtergrond.

Aangekomen in de haven werden we direct verwelkomt door Guido Schotman van de Morgaine. Hij was een uurtje voor ons aangekomen in Porto Santo. Met een walbiertje in de hand hebben we vervolgens heerlijk ervaringen uitgewisseld.

Na het eerste walbiertje volgde de aanmelding bij de havenautoriteiten. Je merkt dan dat je steeds zuidelijker komt: alles duurt steeds wat langer en aan het eind van de aanmeldingsverplichtingen bij de jachthaven moesten we ons ook nog melden bij de militaire autoriteiten. Deze deed de hele inschrijving nog eens dunnetjes over. Dan moet je maar steeds tegen jezelf zeggen dat je rustig moet doorademen en vrolijk moet blijven glimlachen.

Verbroedering op de steiger

Dat uitwisselen van ervaringen ging op de steiger van de jachthaven maar steeds door. Er lagen ca. 20 vertrekkersboten uit bijna 10 nationaliteiten.         De verbroedering gaat dan heel snel, vooral ook omdat er in het weekend nog een steiger-bbq gehouden werd. Het is me zelfs gelukt om verschillende  avonden spontaan een drankje te drinken met een aantal Fransen. Dit was me eerder nog nooit gelukt. Fransen zijn geweldiger zeilers, maar ze wilden (tot op heden) toch vooral integreren met andere Franse zeilers.

Het heerlijke eiland Porto Santo

Hoe langer we op het eiland bleven, hoe beter het het eiland ons begon te bevallen, sterker nog ik ben wel een beetje verliefd geworden op het eiland. Porto Santo is maar een klein eilandje van 11 bij 6 kilometer. Qua sfeer en omvang heeft het veel Vlieland: klein, mooi, rustig, relaxed, maar gelukkig wel met goede voorzieningen.  Ook zijn er vele kilometers aan (wandel)paden om het eiland te verkennen. Alhoewel ik ook op de Waddeneilanden ook bijna altijd goed weer heb, was dat op Porto Santo misschien toch nog wel iets prettiger: altijd zonnig weer, 27 graden en een watertemperatuur (van het glasheldere water) van 22 graden.

 

 

 

 

Alhoewel dat altijd strikt verboden wordt door mijn echtgenote, ben ik stiekem weer naar te koop staande kavels gaan kijken. Zo’n kavel met vrij uitzicht op is toch prachtig?

 

Rondreizen over het eiland

Nadat we woensdag 19 september vooral besteed hebben aan bijslapen en het schoonpoetsen van de boot, hadden we de volgende dag de tijd voor een lange wandeling naar een na hoogste de top van het eiland, de 437 m hoge Pico do Castelo.

Helaas was de reis van Jim op vrijdag al weer voorbij, hij is in Porto Santo op het vliegtuig gestapt richting Lissabon en daar overgestapt naar Amsterdam.

Voor mij was de pret nog helemaal niet over. Ik heb nog een dag een scooter gehuurd om daarmee het hele eiland te verkennen. Dat ging  via de gewone asfaltweg, maar nog mooier waren de onverharde paden over het hele eiland.

      Zelden heb ik zo veel gemotoriseerd reisplezier gehad als tijdens deze scootertocht.
De dag daarna heb ik een klein deel van scootertocht overgedaan door te gaan hardlopen op de onverharde wegen en wat bergpaadjes.

Voor mij staat een ding wel vast, ik zal zeker nog eens terugkomen op Porto Santo! Wat een heerlijk eiland!

6. Portugal


Ik had mezelf er op voorbereid dat reis langs de Portugese kust niet de meest opwindende zeilbestemming zou worden. En dat bleek – voor wat betreft de zeiltochten – ook wel een beetje zo te zijn.

Een aantal haventjes en steden waren echter onverwacht mooi. Daar bleef ik maar foto’s maken. Dus hier toch een onverwacht enthousiast blog over mijn bezoek aan Portugal
Portugal binnenkomen
29 augustus lag ik nog voor anker bij de Spaanse Islas Cies. Vanaf deze eilanden ben ik Spanje ingevaren voor een eerste stop in Viana do Castelo. Daar heb ik mijn eerste bacelhau van de tocht gegeten.
Intermezzo: Bacelhau
Bacelhau is de Portugese naam voor wat we in Nederland stokvis noemen. In Nederland is het slecht verkrijgbaar, maar in Portugal is het de populairste “vis”. Bacelhau is een gezouten en gedroogde kabeljauw. Traditioneel werd de vis in Noorwegen gevangen en daar aan stokken opgehangen om te drogen en conserveren. Door het zouten en drogen blijft de vis namelijk lang goed. In elke Portugese supermarkt en vismarkt is bacelhau te koop als een soort grijze harde planken die met een lintzaag in de door de cliënt gewenst maat gezaagd worden. Ik heb het op de boot niet zelf bereid omdat je het lang moet weken en koken, dat gaat uiteraard niet zo handig op de boot. In Portugal wordt de bacelhau behalve als gedroogde vis, ook heel veel in blik aangeboden. Ik heb voor de overtochten mijn boot nu al volgeladen met deze blikjes.

Met twee blikjes bacelhau,  een roomsaus, wat groenten en rijst is eenvoudig een heerlijk gerecht te maken.
Ik begrijp dat bacelhau ook in Suriname veel verkocht wordt, ik verheug me daar nu al op.

 

 

Porto
De volgende dag ben ik naar Porto gevaren. Dat was indrukwekkend, vooral omdat de jachthaven bijna onder de eerste hoge brug van Porto ligt.

In Porto kwam mijn roeimaat Ruud en zijn vrouw Conny aan boord. We hadden afgesproken om elkaar te ontmoeten bij het treinstation Sao Bento. Dit station

 

. is van binnen geheel bekleed met blauwe tegels met daarop vele heroïsche afbeeldingen. Op zich zijn de afbeeldingen niet geweldig bijzonder, maar het totaal was wel bijzonder indrukwekkend en uniek. Zeker voor een treinstation.

 

 

In Porto heeft J.K. Rowling ook een deel van haar Harry Potter boeken geschreven. Haar idee van de bewegende trappen in de hal van Zweinstein is ontstaan in de Portugese boekhandel Livraria Lello welke een prachtige gekromde trappartij heeft. Ook het idee van de studentenmantels van de studenten uit Zweinstein is ontstaan in Portugal. De studenten in Coimbra plegen/moeten zich nog altijd in dit soort mantels kleden.

 

Sao Jacintho
1 september zijn we voor anker gegaan bij Sao Jacintho. Dat ligt dicht bij de industriestad Aveiro. Sao Jacintho is een klein slaperig stadje dat af en toe vanuit de lokale kazerne wakker gemaakt wordt door een trompetterende militair. Duidelijk was ook dat de lokale mannelijke bevolking zondagochtend geen zin om samen met hun echtgenoten naar de kerk te gaan.

Volgens mij zijn die zondagochtend wel 100 speedbootje – met alleen maar mannen aan boord – de rivier opgevaren om daar te gaan vissen. Het was nog knap moeilijk om veilig tussen het visbootjes en het vistuig door te varen. Mijn roeimaat Ruud heeft zijn hele leven al een bijzonder, maar niet af te leren, karaktertrekje: uitwijken voor vissers staat namelijk niet in zijn woordenboek. Dat eindigt in de roeiboot in Nederland meestal in ritsen vissers die om de beurt – al vloekend – hun vistuig uit het water moeten halen om te voorkomen dat Ruud er van door gaat met hun vistuig. Sao Jacintho was een soort van Walhalla voor Ruud. Met een geconcentreerd blik deed hij zijn best om de rechte lijn naar de zee te handhaven en daarbij al het vistuig te onderscheppen. Conny en ik hebben na een paar minuten het roer maar over genomen. Ruud was natuurlijk teleurgesteld, maar visdraad in de schroef van de zeilboot is geen aantrekkelijk idee. Zeker niet in een rivier waar het 4 knopen stroomt.
Coimbra
Vanuit Figueira de Foz zijn we 3 september met de trein naar Coimbra gegaan. Coimbra is in de Middeleeuwen ooit de hoofdstad van heel Portugal geweest. Dit is terug te vinden in de prachtige binnenstad die sinds de Middeleeuwen niet meer veranderd is. De kathedraal Sao Vicente, de zgn. “oude kathedraal” en de universiteitsgebouwen waren ongelofelijk prachtig . Er waren wel toeristen bij de bekende mooie gebouwen, maar in de straatjes van de oude binnenstad waande je je in de jaren 60. Ik zou pagina’s vol kunnen schrijven over deze geweldige stad, maar de foto’s zeggen genoeg.

 

 

San Martinho do Porto
Zoals eerder geschreven was de Portugese Westkust niet een heel erg inspirerend zeilwater. Dat betekende elke dag een aantal mijlen de zee opvaren, de stuurautomaat aanzetten richting het Zuiden en dan maar een boek pakken of wat kletsen. Maar er was wel een opmerkelijk onderbreking in de saaie kustlijn. De kustlijn liet bij San Martinho do Porto een klein gaatje zien, waarachter een grote, komvormige, baai ligt. Op de kaart zag het er allemaal eenvoudig uit, maar de aanloop bleek heftig spannend. Met links en rechts van de boot grote brekers, surften we op de vloedstroom de baai in met een snelheid die opliep naar 12 mijl. Ik had dat nog nooit gezien! De baai en het stadje waren de spanning gelukkig wel waard.Het lag er prachtig voor anker. Wel wat minder plezierig was dat de deining de hele nacht door de baai golfde, wat de boot heftig deed rollen.  Je de mast van de Atropos heftig scheef staan Heel erg goed slapen lukt dan niet omdat je geen moment ontspannen kunt liggen, je moet je in bed steeds schrap zetten om niet op zij te rollen. Van de havenmeester van de lokale zeilvereniging kregen we die avond het advies om de volgende dag  met hoog water weg te gaan. Daardoor hoefden we 5 september pas tegen het middaguur het anker pas op te halen. Deze aanwijzing van de havenmeester was zeer adequaat. Terwijl we vooraf uit voorzorg alle ramen en luiken dicht hadden gedaan en met aangelijnd zwemvest in de kuip zaten, bleek door de tip van de havenmeester het naar buiten varen geen enkel probleem te zijn.
Ilha da Berlenga
Eindpunt van die dag was Peniche.  5 Mijl voor de kust van Peniche ligt de Ilha da Berlenga.
Dit is een rotsklomp in zee met een piepklein haventje. Ankeren kan er wel, maar de bodem is er 30 meter diep en rotsachtig. Dat is geen aantrekkelijk vooruitzicht met maar 60 meter ketting. Voor het eiland liggen echter vele moorings voor de vele ferrybootjes die dagelijks toeristen heen en weer brengen vanaf Peniche. Gelukkig mochten we een van die moorings een uurtje gebruiken, waarna we met de bijboot naar de kant zijn gegaan.
Dat was prachtig. Al varend tussen vele indrukwekkende rotsen en kloven bereikten we een klein zandstrandje waar we de bijboot veilig konden achterlaten om het eiland te verkennen.

 

 

 

 

’s Avonds laat kwamen we Peniche pas binnen. Het havenkantoor (en de douches) was al gesloten, maar met dankzij de sleutel die we van een Deense vertrekker kregen, konden we toch douchen. De volgende dag zouden we rond 7:00u vertrekken. De havenmeester liep toen al rond. Toen ik vrolijk aanbood om samen met hem naar het havenkantoor te lopen om alle papieren in te vullen en om te betalen, werden we vriendelijk verzocht om maar liever direct – zonder betaling en papierwerk – te vertrekken. De havenmeester had duidelijk wat opstartproblemen om zeven uur ‘s ochtends.
Cascais
6 September zijn we van Peniche naar Cascais gevaren. Om nog tijd over te houden en voldoende rust te kunnen nemen, hebben we er voor gekozen om Lissabon niet met de boot te bezoeken. We zijn alleen een avond met de trein naar Lissabon gegaan om in de oude binnenstad heerlijk te eten en te luisteren naar Fado muziek. Als Christina Branco Fado zingt, dan klinkt dat prachtig en vooral gevoelig, maar het bleek die avond dat niet iedere Fado zangeres de zangkwaliteiten heeft van Christina Branco.

Cascais is een mondaine badplaats met een grote jachthaven met veel scheepswinkels en reparateurs. In Cascais zijn Ruud en Conny afgestapt en een andere roeimaat Jim – en zijn vrouw Marjon – zijn er opgestapt. In Cascais lagen we ook weer naast de Morgaine van Guido Schotman. We waren Guido en zijn moeder al eerder tegengekomen in Figueira de Foz en ook tijdens de vertrekkersdagen in Nederland had ik Guido al ontmoet. Heel gezellig dus, misschien ook een beetje omdat Guido nog een fles oude jenever in de koeling had liggen.
Enseada de Sagres
Op 8 september was de boot weer helemaal schoongepoetst, gerepareerd en dus klaar voor de verdere reis richting Sesimbra en de daarop volgende dag naar Sines. Na Sines zijn we met prachtig mooi weer het Zuid West punt van Portugal -Cabo Sao Vincente – gepasseerd om vervolgens direct achter de kaap voor anker te gaan in de Enseada de Sagres.

Dat lag er prachtig rustig en gelukkig zonder deining. De volgende dag wilden Jim en ik met de bijboot naar het strand gaan om er te gaan hardlopen. Alhoewel er geen zeedeining stond in de baai, bleek vlak voor de kust er opeens toch brekende golven te ontstaan. De eerste rollers gingen nog goed, maar vlak voor het strand bleek een hoge breker toch in staat te zijn om de rubberboot te laten kapseizen. Proestend, maar ook lachend, kwamen we weer boven water, waarna we vaststelden dat we alle zonnebrillen, hoeden e.d. nog op hadden en waterdichte tas (met hardloopschoenen en telefoon) zijn werk goed deed en rustig naar de kust dreef. Wat wel vervelend was dat het buitenboordmotortje het niet meer deed. Zout water heeft meestal een verwoestende invloed op dit soort motortjes. Het hardlopen hebben we maar overgeslagen en we zijn maar snel terug geroeid naar de Atropos. Als een soort van EHBO voor buitenboordmotortjes hebben we het motortje maar zo goed als mogelijk afgespoeld met zoet water.
Lagos
Die middag zijn we 11 september vanuit de Enseada de Sagres naar Lagos gevaren. Naast de jachthaven van Lagos bleek een jachtwerf te liggen met een omvang die ik in Nederland en Engeland nog niet gezien had. De hoofd werkplaats heeft ons buitenboord motortje gelijk onder handen laten nemen en de volgende dag bleek dat de motor gelukkig weer prima draaide. Onze EHBO werk was nuttig geweest, maar zij hebben de motor helemaal opengehaald en schoongemaakt.

Lagos is het feitelijke begin van de Algarve, dat bleek een stuk toeristischer te zijn dan de Portugese West kust. Het was er afgeladen met – vooral Engelse – toeristen wat zich vooral ’s avonds vertaalt in een enorm aanbod van eten en live muziek. We hebben ons er toch prima vermaakt, vooral tijdens een kanotocht langs de prachtige rotskust met mooie grotten en strandjes.

Deze kanotochten werden verkocht als een groot “adventure”, maar nadat bleek dat we elk uur van de dag ons konden inteken voor zo’n groot avontuur, hebben we het idee van een spannend avontuurlijke tocht maar wat weggestopt. Dat maakte de tocht echter niet minder mooi.

 

 

 

 

 

 

 

In Lagos bleek mijn grote gasfles ook weer leeg te zijn. Maar anders dan in Engeland bleek dit nu geen groot probleem op te leveren. Bij de jachtwerf in Lagos kreeg ik een formulier mee met een adres en een routebeschrijving van een garage die de flessen kon vullen. Wel kreeg ik de strikte instructie mee om niet met openbaar vervoer of een taxi naar dit vulstation te gaan. We zouden dan niet zeker meer teruggebracht worden.
Portimão
13 September zijn we eerst van Lagos naar Portimão gevaren. Dit bleek een grote touristenstad zijn met heel veel hotels en appartementen voor toeristen. In de jachthaven lagen we echter prachtig, met een vrij uitzicht op de Rio Arade en het schattige stadje Ferraguda met zijn Forte de Sao Joao.

Jim en ik zijn de volgende dag met een huurauto naar het gasvulstation gereden om de gasfles te vullen. Dat bleek een verlopen garagebedrijf te zijn met vooral veel oude wrakken voor de deur, maar gelukkig ook met een soort van LPG vulstation voor propaan gasflessen. Binnen een minuut was de gasfles weer gevuld met 6 kg gas en slechts 8 euro armer reden we weer blij terug naar Portimão. Vermoedelijk was dit vervoer van een gasfles in een huurauto niet helemaal volgens de regels, maar uiteindelijk was ik vooral heel blij met mijn volle gasfles. Ik verwacht dat we pas op de Kaap Verden de gasflessen moet bijvullen.
Vertrek richting Porto Santo
15 september hebben we eerst Marjon weggebracht naar het vliegveld van Faro.

Daarna hebben Jim en ik om 15:00u de trossen losgooiden, Europa definitief achter ons gelaten en gingen we op weg  naar Porto Santo.